Inloggen

sluiten
Gebruikersnaam
Wachtwoord
wachtwoord vergeten?
onthoud mij
Nog geen lid?
Klik hier om u te registreren

Wachtwoord opvragen

sluiten
Vul hieronder uw e-mailadres of gebruikersnaam in en
wij zenden u een nieuw wachtwoord toe.
Nog geen lid?
Klik hier om u te registreren
Home


Tag cloud

RSS

jorritsma

Jorritsma: voetbalclub kan werk jeugd-ggz doen

Jorritsma: voetbalclub kan werk jeugd-ggz doen
Overheid Uitlatingen van voorzitter Annemarie Jorritsma van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als zouden voetbalclubs hetzelfde werk kunnen doen als psychiaters, zijn slecht gevallen.
zondag 9 februari 2014 4 reacties | Lees verder

Antwoord Jorritsma op NMa en reactie R.Leerling huisarts

Antwoord Jorritsma op NMa en reactie R.Leerling huisarts
Opinie Antwoord Jorritsma op NMa en reactie R.Leerling huisarts

Het antwoord van Jorritsma:

04-04-2002

Onderwerp motie inzake onderzoek naar wenselijkheid toepassing Mededingingswet op huisartsenzorg

Internetadres ezpost@minez.nl

Bij de gelegenheid van het debat over de ZBO-status van de NMa op 31 januari 2002 heb ik toegezegd naar aanleiding van de evaluatie van de Mededingingswet te zullen terugkomen op de motie van de kamerleden Van den Akker en Voûte-Droste met betrekking tot de handhaving van het mededingingsrecht op huisartsen. Recentelijk heeft de Landelijke Huisartsen Vereniging aangegeven voor 1 april prijs te stellen op mijn standpunt.

In samenspraak met mijn collega van VWS heb ik dan ook besloten niet te wachten op de evaluatie van de Mededingingswet, maar reeds nu duidelijkheid te scheppen rondom huisartsen en mededingingsrecht. Mede namens de minister van VWS stuur ik u deze brief.

Inleiding

De gezondheidszorg is traditioneel een door regelgeving gedomineerde markt. In tijden van toegenomen welvaart, meer mondigheid en de wens tot keuzevrijheid en maatschappelijk ondernemerschap wordt meer en meer duidelijk dat de klantgerichtheid van het zorgstelsel niet meer voldoet aan de veranderende eisen van de samenleving. Vandaar dat al geruime tijd werk wordt gemaakt van een omslag in de aansturing van de zorgsector. Minder gedetailleerde aansturing door de overheid en meer ruimte voor veldpartijen in de zorg.

Reeds in 1992 is, met een belangrijke wijziging in de Ziekenfondswet, een aantal stappen in deze richting gezet. Vanaf dat jaar zijn ziekenfondsen niet langer verplicht om iedere zorgverlener te contracteren. Doel van deze wetswijziging was om de kwaliteit en doelmatigheid van de te leveren diensten te bevorderen doordat ziekenfondsen selectief kunnen gaan contracteren. Ook is toen het van overheidswege vastgestelde punttarief voor de diensten van bepaalde zorgverleners afgeschaft. Ziekenfondsen en zorgverleners zijn nu gebonden aan een landelijk maximumtarief. Het College tarieven gezondheidszorg (CTG) stelt deze landelijke maximumtarieven van vrije beroepsbeoefenaren (onderwie de huisartsen) vast. Dit maximumtarief geeft huisartsen en zorgverzekeraars de ruimte om te onderhandelen over individuele tarieven. Verzekeraars en de zorgverleners kunnen op lokaal niveau, zonder tussenkomst van het CTG, een lager tarief afspreken dan het maximumtarief. Dit betekent dat ruimte is ontstaan voor zorgverleners om onderling te concurreren om een contract met een ziekenfonds te krijgen.

In dit kader wijs ik ook op het feit dat de Tweede Kamer zeer onlangs nog heeft ingestemd met het beleid gericht op meer vraagsturing in de zorg, zoals is weergegeven in ‘Vraag aan Bod; Hoofdlijnen van vernieuwing van het zorgstelsel. Belangrijk in dit hele traject is om ervoor te zorgen, dat het zorgstelsel aantoonbaar waar voor zijn geld levert en dat het kan inspelen op de gedifferentieerde vragen van de burger, de maatschappelijke veranderingen, de technologische vernieuwing en de organisatorische veranderingen in het zorgaanbod. Dat vereist flexibiliteit en de mogelijkheden om op die behoefte te kunnen inspelen. Ik realiseer me terdege dat dit niet alleen het nodige vraagt van de betrokken beleidsmakers, maar dat het ook impliceert dat we een grote inspanning vragen van de betrokken beroepsbeoefenaren in de zorg, onder wie de huisartsen.

Mededingingswet en zorgstelsel

De Mededingingswet (Mw) is van toepassing op de zorgsector en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is aangewezen als toezichthouder op naleving van deze wet. In dit kader heeft de NMa dan ook de taak om erop toe te zien dat in de gezondheidszorg individuele instellingen of beroepsgroepen zich niet onttrekken aan de verplichtingen van de Mededingingswet. Deze doelstelling is moeilijk verenigbaar met een uitzonderingsregime voor huisartsen. Indien de huisartsen één machtsblok vormen in de onderhandelingen met ziekenfondsen, neemt dit de ruimte die ziekenfondsen in de wet hebben gekregen om te onderhandelen weg. Tevens zou hiermee een prikkel bij huisartsen worden weggenomen om zo goed mogelijk rekening te houden met de wensen van hun patiënten. Ondanks deze ontwikkelingen zijn de huisartsen de afgelopen jaren doorgegaan met collectief onderhandelen. Door de Districts Huisartsen Verenigingen (DHV’s), de regionale afdelingen van de LHV, werd op regionaal niveau afgesproken welk tarief voor alle huisartsen zou gelden. Dit was in de praktijk altijd het maximumtarief. Daarnaast werd op regionaal niveau gezamenlijk bepaald welke huisarts zich waar mocht vestigen en hoeveel patiënten hij/zij maximaal mocht behandelen.

Nieuwkomers, ook die met betere en vernieuwende vormen van zorgverlening, konden worden buitengesloten door de reeds gevestigde huisartsen. In januari 1998 is de Mededingingswet van kracht geworden. Eind maart 1998 heeft de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) een ontheffingsverzoek bij de NMa ingediend, waarin zij onder meer pleit voor vrijstelling voor huisartsen van het in de Mededingingswet opgenomen kartelverbod. Als reactie op dat ontheffingsverzoek heeft de NMa begin 2001 bepaald, dat afspraken over tarieven en vestiging voor huisartsen in het besluit over het vestigingsbeleid van de LHV en het collectief onderhandelen door organen van deze organisatie in strijd zijn met de Mededingingswet. Het is belangrijk vast te stellen dat deze beslissing van de NMa haar oorsprong vindt in het feit dat de wetgever op dit deel van de zorgsector de mogelijkheid van concurrentie heeft ingevoerd. Met dit besluit, dat tevens als richtlijn dient voor alle belanghebbenden bij het opstellen van een nieuw contracteerbeleid, heeft de NMa meer duidelijkheid geschapen. Sinds de NMa vorig jaar haar voorlopige bezwaren tegen de oude overeenkomst had geuit, hebben de meeste zorgverzekeraars al nieuwe, met de Mededingingswet in overeenstemming zijnde, overeenkomsten en regelingen ontwikkeld.
In reactie op deze beslissing heeft de LHV het vestigingsbeleid ingetrokken. Om de bij de LHV aangesloten huisartsen in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op een nieuw model van onderhandelen heeft de NMa de LHV op diens verzoek een overgangstermijn verleend tot 1 april 2002.

In de motie van Van den Akker en Voûte-Droste wordt terecht geconstateerd dat de herstructurering van de huisartsenzorg sterk in beweging is. Ik wijs op de vorming van "hoed-achtige" constructies en de huisartsendienstenstructuren. Juist in die omstandigheden is het van belang dat de NMa nauwlettend toeziet op deze transitie. Overigens doet de NMa haar werk niet zonder de specifieke kenmerken van de huisartsensector mee in beschouwing te nemen. Zo zijn afspraken op het gebied van kwaliteit bijvoorbeeld onverkort toegestaan, voorzover zij niet onnodig de mededinging belemmeren.

Huisartsen en zorgverzekeraars zijn primair zelf verantwoordelijk voor het voeren van onderhandelingen in het kader van het sluiten van overeenkomsten. Het is aan hen om indien zij op ongewenste implicaties stuiten die te maken hebben met de uitvoering van wet- en regelgeving, in casu de Mededingingswet daar gezamenlijk met oplossingsrichtingen te komen. In dit verband valt te denken aan de (toename) van administratieve rompslomp waar de LHV op wijst. Van belang daarbij is dat de NMa ook aangeeft binnen welke marges oplossingen moeten worden gevonden. In dit verband is noemenswaard dat de NMa reeds op 11 april 2001, gevolgd door haar besluit van 12 3 Zaak 537/Landelijke Huisartsen Vereniging, d.d. 11 april 2001. december 2001 een aantal handreikingen daartoe heeft gedaan. De NMa heeft hierbij de LHV in een vroeg stadium gelegenheid gegeven met alternatieven te komen en hierover te overleggen.

Tevens heeft de NMa, om duidelijkheid te geven over regels die gelden voor de zorgsector, het bijgaande consultatiedocument "Richtsnoeren zorg" opgesteld. Hiermee hoopt de NMa de eventueel nog aanwezige onduidelijkheden, over wat wel en niet is toegestaan binnen de grenzen van de Mededingingswet, weg te nemen. Zij nodigt betrokkenen uit hier binnen twee maanden op te reageren en hoopt op deze manier waar mogelijk van verschillende betrokkenen opmerkingen en suggesties ter verbetering en verduidelijking van de voorgestelde Richtsnoeren zorg te vernemen. Het consultatiedocument Richtsnoeren zorg stelt bovendien de praktijk in de gelegenheid om gedurende twee maanden andere mogelijkheden voor samenwerking dan de in de Richtsnoeren zorg genoemde, aan te dragen. Zoals uit bijgaand consultatiedocument blijkt (en zoals de NMa reeds eerder heeft aangegeven), betekent één en ander niet dat huisartsen op dit moment alleen individueel kunnen onderhandelen. Voor de duidelijkheid wil ik hieronder alvast een aantal mogelijkheden aangeven die de huisartsen ook nu al hebben, zoals:

 gezamenlijk onderhandelen zolang zij gezamenlijk beneden de bagatelgrens van artikel 7 van de Mededingingswet (Mw) blijven (€ 908.000, dat zijn 4 à 5 huisartsen);

 als waarneemgroep onderhandelen over de tarieven voor avond-, nacht- en weekeinddiensten wanneer deze huisartsen gezamenlijk waarnemen. Overigens geldt wel dat wanneer in een bepaalde markt slechts één waarneemgroep bestaat, het gedrag van deze groep geen misbruik van machtspositie mag opleveren;

 een groep van huisartsen die een vergaande vorm van samenwerking is aangegaan mag ook gezamenlijk met de zorgverzekeraars onderhandelen.
Een dergelijke "gemeenschappelijke zorgverlening"(bijv. gezamenlijk in één pand, gezamenlijk computersysteem, gezamenlijk praktijkondersteuning, intercollegiale toetsing) valt namelijk onder een Europese groepsvrijstelling ("groepsvrijstelling voor specialisatieovereenkomsten"), aangezien de samenwerking tot meer efficiëntie leidt. De groepsvrijstelling staat ook het gezamenlijk onderhandelen met zorgverzekeraars toe. Een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de groepsvrijstelling is wel dat het marktaandeel op de relevante markt van de samenwerkende huisartsen beneden de 20% blijft. Indien namelijk alle huisartsen op een relevante markt op deze manier samenwerken, dan hebben patiënten/verzekeraars geen keuze meer en is er feitelijk sprake van één aanbieder. Indien het marktaandeel van de huisartsen toch meer dan 20% bedraagt, kunnen de huisartsen een ontheffing voor de samenwerking aanvragen;

 huisartsen die in maatschappen samenwerken, waarbij het financiële risico gedeeld wordt en in de statuten is vastgelegd dat het beleid gezamenlijk wordt bepaald, mogen ook gezamenlijk onderhandelen, aangezien er dan geen sprake meer is van onafhankelijke ondernemingen in de zin van artikel 6 Mw, maar van afspraken binnen één onderneming;

 over bepaalde onderwerpen mogen huisartsen altijd gezamenlijk onderhandelen, namelijk over alle aspecten die te maken hebben met zorginhoudelijke factoren, maar ook over projecten die zij niet alleen zouden kunnen uitvoeren, zoals het gezamenlijk opbouwen van een netwerk voor het uitwisselen van elektronische patiëntendossiers;

 het onderhandelen aan een derde ("zorgmakelaar") uitbesteden. Zolang dit maar niet leidt tot informatie-uitwisseling en gedragsafstemming tussen huisartsen die met elkaar in concurrentie staan. De LHV heeft aangegeven dat zij verwacht dat de individuele onderhandelingen de huisartsen veel tijd zullen kosten en dat het zal leiden tot zwaardere administratieve lasten. De minister van VWS heeft het College voor Zorgverzekeringen op 14 maart j.l. verzocht om de knelpunten die huisartsen op dat vlak zeggen te ervaren op een aantal locaties diepgaand kwalitatief te onderzoeken en pplossingsrichtingen aan te geven. Meer decentrale verantwoordelijkheden voor de inrichting van het zorgproces betekenen inderdaad onvermijdelijk een verschuiving van werkzaamheden van centraal naar decentraal niveau zowel daar waar het gaat om het aangaan van contracten als om de naleving daarvan. In die zin zullen huisartsen en verzekeraars meer dan voorheen activiteiten moeten (laten) ontplooien op het gebied van zorgcontractering.

In de praktijk zal de gemiddelde huisarts met een relatief klein aantal verzekeraars onderhandelen. Daarbij zal het vooral gaan om de grootste verzekeraars in het werkgebied van de huisarts. Voor de contracten met de overige verzekeraars zullen huisartsen veelal tegen dezelfde voorwaarden willen contracteren. Tevens zijn er, zoals hiervoor aangegeven, alternatieven voor individueel onderhandelen, zoals het uitbesteden van (sommige) onderhandelingstaken aan tussenpersonen (de "zorgmakelaar") en de functie die de branchevereniging kan vervullen om de contracteerwerkzaamheden van de huisarts te faciliteren, bijvoorbeeld door het opstellen van calculatieschema’s.

Verdere aanpak

Zoals reeds vermeld, zullen de Richtsnoeren zorg naar verwachting duidelijkheid scheppen over de regels die gelden voor de zorgsector en geldt een periode van twee maanden waarin de verschillende betrokkenen opmerkingen en suggesties kunnen geven.

Deze inbreng zal meegenomen worden bij het definitief vaststellen van de Richtsnoeren zorg. In de motie van de kamerleden Van den Akker en Voûte-Droste met betrekking tot de handhaving van het mededingingsrecht op huisartsen4 wordt in twijfel getrokken of na 1 april de Mededingingswet al daadwerkelijk toegepast zou moeten worden op huisartsen. Dit heeft onder de huisartsen kennelijk onduidelijkheid teweeggebracht. TK, 2001-2002, 27.639, nr. 52. Het Financieele Dagblad, 18-03-2002.

Ik ben van mening dat de publicatie van de Richtsnoeren zorg door de NMa een volgende stap is in de toepassing van de Mededingingswet op deze sector. Ik heb van de DG NMa begrepen dat de NMa bereid is nogmaals in overleg te treden met de LHV over de wijze waarop door de huisartsen vorm gegeven zou kunnen worden aan de naleving van de Mededingingswet. Om te kunnen volgen wat de effecten zijn van het niet-collectief onderhandelen voor huisartsen, is monitoring nodig. In die zin wil ik dan ook graag voldoen aan het verzoek van de Tweede Kamer om een onderzoek naar de eventuele problemen die zich voordoen als gevolg van toepassing van de Mededingingswet op de praktijk omtrent huisartsenzorg. Vanaf het moment waarop huisartsen niet langer collectief mogen onderhandelen, zal de NMa dit 'onderzoek' starten. Daarnaast wil ik wijzen op de deelmarktonderzoeken die mijn collega van VWS in gang heeft gezet, zoals aangekondigd in de Beleidsbrief modernisering curatieve zorg en de nota Vraag aan Bod. Om na te gaan waar en in welke mate marktconforme prikkels (kunnen) werken, wordt iedere "deelmarkt" in de curatieve zorg onderzocht en vervolgens geanalyseerd. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden volgt een dereguleringsprogramma, een beleidsagenda per deelmarkt met concrete stappen met -daar waar mogelijk - meer vrijheidsgraden. De deelmarktanalyses zijn breder dan het hierboven genoemde NMa-'onderzoek' naar de gevolgen van de Mededingingswet. Op dit moment lopen de onderzoeken naar de eerste zeven deelmarkten in de curatieve zorg, te weten fysiotherapie (incl. oefentherapie Cesar en Mensendieck), logopedie, ergotherapie, mondzorg, psychologische zorg, kraamzorg en verloskunde. Ook de huisartsen vormen een van de deelmarkten waar in de nabije toekomst een deelmarktanalyse zal plaatsvinden.

De LHV heeft reeds een jaar uitstel gekregen om zich voor te bereiden op een nieuw model van onderhandelen. De NMa heeft zich, zoals ik hierboven heb aangegeven, bereid verklaard nogmaals met de LHV het overleg aan te gaan over de wijze waarop door de huisartsen aan de naleving van de wet vorm gegeven kan worden. Ik heb er dan ook het volste vertrouwen in dat hier een voor alle partijen bevredigende oplossing uit zal komen. Huisarts én patiënt schieten er weinig mee op als na dit overleg een uitzondering gecreëerd zou worden voor de huisartsen. Daarvoor zie ik, zoals ik hierboven heb uitgelegd, op dit moment ook geen concrete aanleiding.

(w.g.) A. Jorritsma-Lebbink

Minister van Economische Zaken


Commentaar en aanvullingen Roel Leerling, huisarts

 

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal  Binnenhof 4

2513 AA 's-GRAVENHAGE

04-04-2002 Onderwerp motie inzake onderzoek naar wenselijkheid toepassing Mededingingswet op huisartsenzorg

Internetadres ezpost@minez.nl

 

Bij de gelegenheid van het debat over de ZBO-status van de NMa op 31 januari 2002 heb ik toegezegd naar aanleiding van de evaluatie van de Mededingingswet te zullen terugkomen op de motie van de kamerleden Van den Akker en Voûte-Droste met betrekking tot de handhaving van het mededingingsrecht op huisartsen1. Recentelijk heeft de Landelijke Huisartsen Vereniging aangegeven voor 1 april prijs te stellen op mijn standpunt. In samenspraak met mijn collega van VWS heb ik dan ook besloten niet te wachten op de evaluatie van de Mededingingswet, maar reeds nu duidelijkheid te scheppen rondom huisartsen en mededingingsrecht. Mede namens de minister van VWS stuur ik u deze brief.

Inleiding
De gezondheidszorg is traditioneel een door regelgeving gedomineerde markt. En deze regering heeft zich tot het uiterste ingespannen om deze dominantie verder te versterken en te compliceren. Ook daarmee lopen wij in europa voorop. In tijden van toegenomen welvaart, meer mondigheid en de wens tot keuzevrijheid en maatschappelijk ondernemerschap wordt meer en meer duidelijk dat de klantgerichtheid van het zorgstelsel niet meer voldoet aan de veranderende eisen van de samenleving. Waaruit blijkt dat de klantgerichtheid van de huisartsenzorg niet meer voldoet kan ik u op dit moment niet precies zeggen, maar de onvrede over de zorg enerzijds en het algemeen in deze Kamer gedeelde prettige gevoel dat een woord als "klantgerichtheid"geeft anderzijds, maken dat ik mij hierbij dan ook maar niet waag aan een nadere adstructie van mijn bewering. Wij met elkaar geloven er nu eenmaal in, nietwaar? En laatst sprak ik nog een verre neef die in een hoedconstructie was gestapt en die nu veel meer dan vroeger als solist zo klantgericht kon werken; dus ons geloof wordt ook beleden door de beroepsgroep.
Vandaar dat al geruime tijd werk wordt gemaakt van een omslag in de aansturing van de zorgsector. Minder gedetailleerde aansturing door de overheid en meer ruimte voor veldpartijen in de zorg. Ik doel dan met name op de sturing en winstvergroting van de zorgverzekeraars die op deze wijze steeds meer risicoloos kunnen ondernemen in de publieke sector en met de publieke gelden via beleggingen elders een positieve bijdrage leveren aan 's lands economie.

Reeds in 1992 is, met een belangrijke wijziging in de Ziekenfondswet, een aantal stappen in deze richting gezet. Vanaf dat jaar zijn ziekenfondsen niet langer verplicht om iedere zorgverlener te contracteren. Al zullen zij wegens de alsmaar toenemende schaarste van huisartsenzorg-aanbieders op de markt helaas nog wel moeten. Doel van deze wetswijziging was om de kwaliteit en doelmatigheid van de te leveren diensten te bevorderen doordat ziekenfondsen (ik zeg voor het gemak maar "ziekenfondsen", want zo noemt de man in the street de zorgverzekeringsmaatschappijen nu eenmaal, en dat wou ik maar zo houen) selectief zouden kunnen gaan contracteren. Al moet daaraan meteen worden toegevoegd dat deze fondsen vooralsnog met betrekking tot huisartsenzorg geen benul hebben van kwaliteit en doelmatigheid anders dan de kwaliteit en doelmatigheid van de eigen organisatie in het behalen van de winstdoelstelling van hun onderneming. Ook is toen het van overheidswege vastgestelde punttarief voor de diensten van bepaalde zorgverleners afgeschaft, en kijk eens wat daarmee bereikt is! Ziekenfondsen en  zorgverleners zijn nu, net als voorheen, helaas nog steeds gebonden aan een landelijk maximumtarief.
Het College tarieven gezondheidszorg (CTG) stelt deze landelijke maximumtarieven van vrije beroepsbeoefenaren (onderwie de huisartsen waarbij dan meteen ook de kostenvergoedingen afgetopt kunnen worden, wat helaas bij de inkomens van specialisten in ziekenhuizen nog niet zo goed lukt) vast. Dit maximumtarief geeft huisartsen en zorgverzekeraars een ruimte, zij het een zeer beperkte,  om te onderhandelen over individuele tarieven. Verzekeraars en de zorgverleners kunnen op lokaal niveau, zonder tussenkomst van het CTG, een lager tarief afspreken dan het maximumtarief. Deze zijn echter uit een oogpunt van financieel gezond ondernemen nog steeds dermate laag dat er vooralsnog geen ruimte is ontstaan voor huisartsenzorgaanbieders om onderling te concurreren en om een contract met een ziekenfonds tegen een lager tarief dan het maximumtarief af te kunnen sluiten.  Ware dit wel het geval dan dient gevreesd te worden dat dit de intrinsieke kwaliteit van de verleende zorg die thans, ook internationaal gezien, hoog genoemd mag worden, in negatieve zin zal kunnen beinvloeden door in een vraaggestuurde  markt omwille van de omzet tegemoet te komen aan verlangens van patienten die, objectief- medisch gezien, niet rationeel zijn en waardoor de kosten van de gezondheidszorg langs andere  wegen tot onaanvaardbare hoogte zal kunnen stijgen. Ik noem dat het Belgische voorbeeld. 

In dit kader wijs ik ook op het feit dat de Tweede Kamer zeer onlangs nog heeft ingestemd met het beleid gericht op meer vraagsturing in de zorg, zoals is weergegeven in ‘Vraag aan Bod; Hoofdlijnen van vernieuwing van het zorgstelsel’, waarin tot mijn spijt helaas geen aandacht gegeven is aan de mogelijke meer negatieve effecten van de introductie van een werkelijk vraaggestuurde zorg op de organisatie en financiering van de huisartsenzorg. 

Belangrijk in dit hele traject is om ervoor te zorgen, dat het zorgstelsel aantoonbaar meer waar voor zijn geld levert dan tot dusverre. En in dit trajekt dient de huisarts-solist, hoewel waarschijnlijk het goedkoopste als integrale 1e-lijnsvoorziening (ook de apotheekhoudenden natuurlijk), te verdwijnen zodat het stelsel kan inspelen op de gedifferentieerde vragen van de burger (d.i. diens verzekerings-maatschappij), de maatschappelijke veranderingen, de technologische vernieuwing en de organisatorische veranderingen in het zorgaanbod. Dat vereist flexibiliteit, eerst en vooral van de overheid, en naast geld de mogelijkheden om op die behoefte te kunnen inspelen. Ik realiseer me terdege dat dit niet alleen het nodige vraagt van de betrokken beleidsmakers, maar dat het ook impliceert dat we een grote inspanning vragen van de betrokken beroepsbeoefenaren in de zorg, onder wie de huisartsen. Van hen, en dan met name van de solistisch werkenden onder hen, zal ook gedurende de komende jaren worden verlangd dat zij, als individuele ondernemer in de publieke sector, de organisatie en uitvoering van de door hen geleverde zorg zullen helpen meefinancieren, zoals dat gedurende de afgelopen regeerperiodes steeds al het geval geweest is. Het gaat erom dat de premiegelden naar de juiste bronnen vloeien en op voor ons allen transparante wijze onze economie en, waar mogelijk, ook het welzijn van de burgers ten goede komen Voor een maximum-tarief dat ruimte biedt aan financieel verantwoord en profijtelijk maatschappelijk ondernemen door huisartsen op individuele basis zoals Mij voor ogen staat is immers thans geen financiele dekking  beschikbaar. Laat staan dat dit voor een lager tarief mogelijk zou zijn.

Mededingingswet en zorgstelsel

De Mededingingswet (Mw) is van toepassing op de zorgsector en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is aangewezen als toezichthouder op naleving van deze wet. In dit kader heeft de NMa dan ook de taak om erop toe te zien dat in de gezondheidszorg individuele instellingen of beroepsgroepen zich niet onttrekken aan de verplichtingen van de Mededingingswet. Deze doelstelling is moeilijk verenigbaar met een uitzonderingsregime voor huisartsen. Indien de huisartsen één machtsblok vormen in de onderhandelingen met ziekenfondsen, neemt dit de ruimte die ziekenfondsen in de wet hebben gekregen om te onderhandelen weg.  Daarbij wijs ik er overigens op dat ook voor de zorgverzekeraars de onderhandelingsruimte ernstig wordt beperkt door het Budgetair Kader Zorg, hetgeen bekend verondersteld mag worden.Tevens zou hiermee een prikkel bij huisartsen worden weggenomen om zo goed mogelijk rekening te houden met de wensen van hun patiënten, aangenomen dat huisartsen zich bij de uitoefening van hun beroep (consultvoering, verwijsgedrag, receptuur, terminale thuiszorg, e.d.)  zich, primair dan wel secundair, door financiele prikkels laten leiden.
Ondanks deze ontwikkelingen zijn de huisartsen de afgelopen jaren doorgegaan met collectief  onderhandelen. Door de Districts Huisartsen Verenigingen (DHV’s), de regionale afdelingen van de LHV, werd op regionaal niveau afgesproken welk tarief voor alle huisartsen zou gelden, zo is mij althans door deze of gene verzekerd. Hoewel de door het CTG vastgestelde tarieven als "maximum"-tarieven werden aangemerkt was er geen reële mogelijkheid om zorgaanbieders voor een lager abonnementstarief te contracteren, zo de zorgverzekeraars al een overeenkomst in die geest aanboden. Derhalve gold in de praktijk het maximumtarief tevens als minimumtarief. Het is daarbij, gelet op deze minimum-tarieven gebaseerde magere ondernemingsresultaten van  huisartspraktijken niet te verwachten dat daarin op korte termijn verandering zal komen. M.a.w., gelet op de schaarste aan afgestudeerde huisartsen die zelf een onderneming als huisarts willen of kunnen starten, dienen wij ervan uit te gaan dat iedere huisarts de maximaal toegestane tarieven zal blijven hanteren en dat er van de door ons zo gewenste concurrentie via de tarieven door het ontbreken van een ruimere financiele dekking hoegenaamd niets terecht zal kunnen komen. 
Daarnaast werd op regionaal niveau via een voorgeschreven solliciatieprocedure door de leden van de beroepsgroep bepaald welke huisarts 2 TK, 2000-2001, 27855, nrs. 1-2. 3 zich waar mocht vestigen. De omvang van de praktijkgrootte werd daarbij nimmer bindend voorgeschreven, al bestonden en bestaan daarover wel ideeën op basis van de vereiste te leveren kwaliteit van zorg. Dat nieuwkomers met betere en vernieuwende vormen van zorgverlening buitengesloten werden door de reeds gevestigde huisartsen is onwaar. Daarvan zijn mij tenminste geen voorbeelden bekend. In de aflopen jaren was men zelfs al blij als er zich een goede kandidaat voor vestiging aandiende.

In januari 1998 is de Mededingingswet van kracht geworden. Eind maart 1998 heeft de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) een ontheffingsverzoek bij de NMa ingediend, waarin zij onder meer pleit voor vrijstelling voor huisartsen van het in de Mededingingswet opgenomen kartelverbod. Als reactie op dat ontheffingsverzoek heeft de NMa begin 2001 bepaald, dat afspraken over tarieven en vestiging voor huisartsen in het besluit over het vestigingsbeleid van de LHV en het collectief onderhandelen door organen van deze organisatie in strijd zijn met de Mededingingswet.

Het is belangrijk vast te stellen dat deze beslissing van de NMa haar oorsprong vindt in het feit dat de wetgever op dit deel van de zorgsector de mogelijkheid van concurrentie heeft ingevoerd. Al gebiedt de waarheid te zeggen dat deze mogelijkheid vooralsnog slechts een theoretische is. Met dit besluit, dat tevens als richtlijn dient voor alle belanghebbenden bij het opstellen van een nieuw contracteerbeleid, heeft de NMa meer duidelijkheid geschapen. Sinds de NMa vorig jaar haar voorlopige bezwaren tegen de oude overeenkomst had geuit, hebben de meeste zorgverzekeraars al nieuwe, met de Mededingingswet in overeenstemming zijnde, overeenkomsten en regelingen ontwikkeld. Helaas hebben deze zorgverzekeraars tevens per 1 januari 2001 alle vigerende overeenkomsten met de huisartsen opgezegd, hoewel daartoe in het kader van de uitvoering van de Mededingingswet dus geen directe noodzaak was, gezien het feit dat de daarop betrekking hebbende strijdigheden met de Mededingingswet hun aktualiteit reeds hadden verloren als gevolg van het toenemende tekort aan afgestudeerde huisartsen die zich uberhaupt nog wilden vestigen. Een en ander heeft helaas wel tot gevolg gehad dat er grote onrust en onzekerheid bij de huisartsen is ontstaan over hun maatschappelijke positie en het ontstane vacuum ten aanzien van hun overeenkomsten met de diverse zorgverzekeraars. In reactie op deze beslissing heeft de LHV het eigen vestigingsbeleid ingetrokken en zich ten aanzien van het aantrekken van opvolgers in leegvallende praktijk afwachtend opgestel jegens de regisserende zorgverzekeraarsTot een adequaat en praktisch uitvoerbaar nieuw vestigingsbeleid zijn de zorgverzekeraars tot op heden echter ook nog niet kunnen komen  ten gevolge van het ontbreken van de hierboven genoemde onderhandelingsruimte.  Om de bij de LHV aangesloten huisartsen in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op een nieuw model van onderhandelen heeft de NMa de LHV op diens verzoek een overgangstermijn verleend tot 1 april 2002.

In de motie van Van den Akker en Voûte-Droste wordt terecht geconstateerd dat de herstructurering van de huisartsenzorg sterk in beweging is. Ik wijs op de vorming van "hoed-achtige" constructies en de huisartsendienstenstructuren. Ik wijs er echter ook met nadruk op dat deze strukturele veranderingen onverlet laten dat de huisartsenzorg een zaak van particulier ondernemen blijft, met alle financiele risico's vandien. Juist in die omstandigheden zal het van belang kunnen zijn dat de NMa nauwlettend toeziet op deze transitie.  Hierbij valt b.v. te denken aan een groep huisartsen die in één gemeente, verenigd in één hoed-constructie, zich als één machtsblok kunnen opstellen in de onderhandelingen met de zorgverzekeraars.  Daarnaast dienen wij ons goed te realiseren dat niet de patienten het produkt zijn waarover onderhandeld wordt, maar de aan hen te leveren  zorg. Ook is het niet aannemelijk dat patienten van de ene hoed die hoger tarief eist, bij een niet inwilligen van die eis door de zorgverzekeraar zich en masse bij een andere hoed zullen (kunnen) aanmelden. 

Overigens doet de NMa haar werk niet zonder de specifieke kenmerken van de huisartsensector mee in beschouwing te nemen. Zo zijn afspraken op het gebied van kwaliteit bijvoorbeeld onverkort toegestaan, voorzover zij niet onnodig de mededinging belemmeren. Helaas hangen kwaliteit en prijs met elkaar samen, ook in de huisartsenzorg.

De burgers dienen echter niet belemmerd te worden in hun keuze van huisarts. En het is uiteindelijk de burger zelf die bepaalt welke "kwaliteit" hij of zij in deze prefereert. Over de vraag hoe burgers in deze gestuurd zullen kunnen worden in hun verwachtingen en verlangens in een vraaggestuurde markt zullen mijn collega van VWS en ik ons nog nader beraden.

Huisartsen en zorgverzekeraars zijn primair zelf verantwoordelijk voor het voeren van onderhandelingen in het kader van het sluiten van overeenkomsten. Het is aan hen om - indien zij op ongewenste implicaties stuiten die te maken hebben met de uitvoering van wet- en regelgeving, in casu de Mededingingswet - daar gezamenlijk met oplossingsrichtingen te komen. In dit verband valt te denken aan de (toename) van administratieve rompslomp waar de LHV op wijst. Ook het budgetair Kader Zorg dient in dit verband, gelet op de noodzaak van het als individue(n) financieel verantwoord kunnen blijven ondernemen in de publieke sector, aan een kritische evaualtie te worden onderworpen. Het is, dit voor alle duidelijkheid, wel belangrijk om ons te realiseren dat er met de komst van de NMa vooralsnog meer wet- en regelgeving bijgekomen is, en dat in een transitiefase dat de bestaande wet- en regelgeving nog volop van kracht is. Daarmee houdt de overheid meer dan voldoende mogelijkheden om de totale kosten van de huisartsenzorg in de hand te houden. De motie van de kamer onderstreept, ook voor mij, de intense spanningen en frustraties die het wetgevend beleid van dit kabinet, of beter gezegd het uiblijven van een herziening van het totale stelsel van wet- en regelgeving, oproept bij de betrokkenen. Ik gun dat de huisartsen niet.

Van belang daarbij is dat de NMa ook aangeeft binnen welke marges oplossingen moeten worden gevonden. In dit verband is noemenswaard dat de NMa reeds op 11 april 2001, gevolgd door haar besluit van 12 3 Zaak 537/Landelijke Huisartsen Vereniging, d.d. 11 april 2001.4 december 2001 een aantal handreikingen daartoe heeft gedaan. De NMa heeft hierbij de LHV in een vroeg stadium gelegenheid gegeven met alternatieven te komen en hierover te overleggen. Tevens heeft de NMa, om duidelijkheid te geven over regels die gelden voor de zorgsector,het bijgaande consultatiedocument "Richtsnoeren zorg" opgesteld. Hiermee hoopt de NMa de eventueel nog aanwezige onduidelijkheden, over wat wel en niet is toegestaan binnen de grenzen van de Mededingingswet, weg te nemen. Zij nodigt betrokkenen uit hier binnen twee maanden op te reageren en hoopt op deze manier waar mogelijk van verschillende betrokkenen opmerkingen en suggesties ter verbetering en verduidelijking van de voorgestelde Richtsnoeren zorg te vernemen. Het consultatiedocument Richtsnoeren zorg stelt bovendien de praktijk in de gelegenheid om gedurende twee maanden andere mogelijkheden voor samenwerking dan de in de Richtsnoeren zorg genoemde, aan te dragen. Zoals uit bijgaand consultatiedocument blijkt (en zoals de NMa reeds eerder heeft aangegeven), betekent één en ander niet dat huisartsen op dit moment alleen individueel kunnen onderhandelen. Voor de duidelijkheid wil ik hieronder alvast een aantal mogelijkheden aangeven die de huisartsen ook nu al hebben, zoals:

 gezamenlijk onderhandelen zolang zij gezamenlijk beneden de bagatelgrens van artikel 7 van de Mededingingswet (Mw) blijven (€ 908.000, dat zijn 4 à 5 huisartsen); al dient daarbij te worden opgemerkt dat ook de NMa niet kan aangeven op welk deel van de omzet van een huisartsenpraktijk deze bagatelgrens betrekking heeft.

 als waarneemgroep onderhandelen over de tarieven voor avond-, nacht- en weekeinddiensten wanneer deze huisartsen gezamenlijk waarnemen. Overigens geldt wel dat wanneer in een bepaalde markt slechts één waarneemgroep bestaat, iets wat meer regel dan uitzondering is, het gedrag van deze groep geen misbruik van machts- positie mag opleveren. Al is het natuurlijk onmogelijk om aan te geven wat daaronder verstaan moet worden en wie van beide onderhandelingspartijen het predikaat "misbruik" mag verstrekken. Dat zal zich b.v. kunnen wreken in gebieden waarin alle huisartsen gezamenlijk hun waarnemingen verrichten in een grootschalige dienstenstruktuur. Te denken valt b.v. aan Amsterdam waar honderden gezamenlijk waarnemende huisartsen eveneens gezamenlijk onderhandelen met de regionale zorgverzekeraar. Dit is voor mij een reden tot grote zorg en ik heb de NMa verzocht nauwlettend hierop toe te zien.

 een groep van huisartsen die een vergaande vorm van samenwerking is aangegaan mag ook gezamenlijk met de zorgverzekeraars onderhandelen. Een dergelijke "gemeenschappelijke zorgverlening"(bijv. gezamenlijk in één pand, gezamenlijk computersysteem, gezamenlijk praktijkondersteuning, intercollegiale toetsing) valt namelijk onder een Europese groepsvrijstelling ("groepsvrijstelling voor specialisatieovereenkomsten"), aangezien de samenwerking tot meer efficiëntie leidt. Een aanname die overigens nog niet wetenschappelijk gefundeerd is, met name niet waar het de behoefte van burgers aan kwaliteit en vraaggestuurde zorg betreft. De groepsvrijstelling staat ook het gezamenlijk onderhandelen met zorgverzekeraars toe. Een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de groepsvrijstelling is wel dat het marktaandeel op de relevante markt van de samenwerkende huisartsen beneden de 20% blijft. Indien namelijk alle huisartsen op een relevante markt op deze manier samenwerken, dan hebben patiënten/verzekeraars geen keuze meer en is er feitelijk sprake van één aanbieder. Indien het marktaandeel van de huisartsen toch meer dan 20% bedraagt, kunnen de huisartsen een ontheffing voor de samenwerking aanvragen; op deze wijze kan er ook binnen een hoed concurrend gewerk worden, hetgeen eveneens de efficienty zal bevorderen, naar ik aanneem. Daarbij, een hoed in een bepaald omschreven werkgebied, b.v. een dorp, mag dus niet meer patienten inschrijven dan maximaal 20% van het aantal inwoners. De overige 80% zal dan verzorgd moeten worden door of een andere hoed (die naar verwachting een zelfde tarief zal uitonderhandelen als de eerstgenoemde), of door gevestigde huisartsen die op een andere wijze gehuisvest zijn, c.q. (samen)werken, en waarvan verwacht wordt dat deze er niet in zullen slagen eenzelfde tarief te bedingen bij de zorgverzekeraar. Op deze wijze wordt het allemaal veel transparanter en zal als het mis gaat veel beter dan nu getraceerd kunnen waar dat gebeurt. Dat bevordert de zo broodnodige beheersbaarheid van de zorg.

 huisartsen die in maatschappen samenwerken, waarbij het financiële risico gedeeld wordt en in de statuten is vastgelegd dat het beleid gezamenlijk wordt bepaald, mogen ook gezamenlijk onderhandelen, aangezien er dan geen sprake meer is van onafhankelijke ondernemingen in de zin van artikel 6 Mw, maar van afspraken binnen één onderneming; het feit dat vele maatschappen slechts een relatief korte tijd van vruchtbaar samenwerken is beschoren vormt in mijn optiek geen belemmering voor de continuiteit van de zorgverlening en de daarvoor geldende tarieven.

 over bepaalde onderwerpen mogen huisartsen altijd gezamenlijk onderhandelen, namelijk over alle aspecten die te maken hebben met zorginhoudelijke factoren, maar ook over projecten die zij niet alleen zouden kunnen uitvoeren, zoals het gezamenlijk opbouwen van een netwerk voor het uitwisselen van elektronische patiëntendossiers; daarbij meen ik erop te kunnen rekenen dat huisartsen van verschillende snit op geen enkele wijze met elkaar spreken over de financiele condities waaronder zij werken en elkaar de loef zullen proberen af te steken wat dat betreft.

 het onderhandelen aan een derde ("zorgmakelaar") uitbesteden. Zolang dit maar niet leidt tot informatie-uitwisseling en gedragsafstemming tussen huisartsen die met elkaar in concurrentie staan; wat betekent dat er per individuele huisarts slechts één makelaar mag zijn die bovendoen niet meerdere huisartsen in portefeuille mag hebben. Ook daarop zal de NMa streng toezien. In het verlengde daarvan zal door de NMa ook nauwkeurig worden nagegaan in hoeverre meerdere huisartsen één en dezelfde accountant hebben en in welke mate dit het individuele onderhandelingsproces van de huisarts beinvloedt. De zorgverzekeraars zijn uiteraard niet gebonden aan de bagatelgrens. Ik zal dat ook aan de koepelorganisatie van zorgverzekeraars schriftelijk nog eens bevestigen zodat zij hun interne beraadslagingen met betrekking tot de ten aanzien van de onderhandelingen met de huisartsen te volgen beleidsplannen en -scenario's ongehinderd voortgang zullen kunnen voortzetten.  De LHV heeft aangegeven dat zij verwacht dat de individuele onderhandelingen de huisartsen veel tijd zullen kosten en dat het zal leiden tot zwaardere administratieve lasten. De minister van VWS heeft het College voor Zorgverzekeringen op 14 maart j.l. verzocht om de knelpunten die huisartsen op dat vlak zeggen te ervaren op een aantal locaties diepgaand kwalitatief te onderzoeken en oplossingsrichtingen aan te geven. Meer decentrale verantwoordelijkheden voor de inrichting van het zorgproces betekenen inderdaad onvermijdelijk een verschuiving van werkzaamheden van centraal naar decentraal niveau zowel daar waar het gaat om het aangaan van contracten als om de naleving daarvan. In die zin zullen huisartsen en verzekeraars meer dan voorheen activiteiten moeten (laten) ontplooien op het gebied van zorgcontractering. In de praktijk zal de gemiddelde huisarts met een relatief klein aantal verzekeraars onderhandelen. Daarbij zal het vooral gaan om de grootste verzekeraars in het werkgebied van de huisarts. Voor de contracten met de overige verzekeraars zullen huisartsen veelal tegen dezelfde voorwaarden willen contracteren, iets wat uiteraard tot onrust op de vele onderhandelingsfronten zal kunnen leiden. Ook is het daarbij niet uitgesloten dat huisartsen niet tot overeenstemming kunnen komen met zogenaamde verre verzekeraars en de daarbij verzekerde patienten gedwongen worden een andere, wél in de regio werkende zorgverzekeraar te kiezen. De keuzevrijheid van de ene partij zal nu eenmaal onvermijdelijk moeten leiden tot een beperking daarvan voor de andere. En dan prevaleren uiteraard de belangen van de zorgverzekeraars. Tevens zijn er, zoals hiervoor aangegeven, theoretische alternatieven voor individueel onderhandelen, zoals het uitbesteden van (sommige) onderhandelingstaken aan tussen- personen (de "zorgmakelaar") en de functie die de branchevereniging kan vervullen om de contracteerwerkzaamheden van de huisarts te faciliteren, bijvoorbeeld door het opstellen van calculatieschema’s. Ik zeg "theoretische" omdat de huidige praktijkkkostenvergoeding zoals de huisarts die via het abonnementstarief ontvangt struktureel en nominaal niet in een dergelijke kostenpost voorziet. Tevens moet worden opgemerkt dat de calculatieschema's van de branchorganisatie LHV door de zorgverzekeraars, en in navolging daarvan ook door het CTG, als regel terzijde worden geschoven.

Verdere aanpak

Zoals reeds vermeld, zullen de Richtsnoeren zorg naar verwachting wel duidelijkheid scheppen over de regels die gelden voor de zorgsector, maar moet er ernstig rekening mee wordden gehouden dat dan tevens de praktische onuitvoerbaarheid van genoemde Richtsnoeren duidelijk zal worden in de periode van twee maanden waarin de verschillende betrokkenen opmerkingen en suggesties kunnen geven. Deze inbreng zal meegenomen worden bij het definitief vaststellen van de Richtsnoeren zorg. In de motie van de kamerleden Van den Akker en Voûte-Droste met betrekking tot de handhaving van het mededingingsrecht op huisartsen4 wordt in twijfel getrokken of na 1 april de Mededingingswet al daadwerkelijk toegepast zou moeten worden op huisartsen. Dit heeft onder de huisartsen kennelijk onduidelijkheid teweeggebracht.5 4 TK, 2001-2002, 27.639, nr. 52. 5 Het Financieele Dagblad, 18-03-2002. 6 Ik ben van mening dat de publicatie van de Richtsnoeren zorg door de NMa een volgende stap is in de toepassing van de Mededingingswet op deze sector. Ik heb van de DG NMa begrepen dat de NMa bereid is nogmaals in overleg te treden met de LHV over de wijze waarop door de huisartsen vorm gegeven zou kunnen worden aan de naleving van de Mededingingswet. Om te kunnen volgen wat de effecten zijn van het niet-collectief onderhandelen voor huisartsen, is monitoring nodig. In die zin wil ik dan ook graag voldoen aan het verzoek van de Tweede Kamer om een onderzoek naar de eventuele problemen die zich voordoen als gevolg van toepassing van de Mededingingswet op de praktijk omtrent huisartsenzorg.

Vanaf het moment waarop huisartsen niet langer collectief mogen onderhandelen, zal de NMa dit 'onderzoek' starten. Daarnaast wil ik wijzen op de deelmarktonderzoeken die mijn collega van VWS in gang heeft gezet, zoals aangekondigd in de Beleidsbrief modernisering curatieve zorg en de nota Vraag aan Bod. Om na te gaan waar en in welke mate marktconforme prikkels (kunnen) werken, wordt iedere "deelmarkt" in de curatieve zorg onderzocht envervolgens geanalyseerd. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden volgt een dereguleringsprogramma, een beleidsagenda per deelmarkt met concrete stappen met -daar waar mogelijk - meer vrijheidsgraden. De deelmarktanalyses zijn breder dan het hierboven genoemde NMa-'onderzoek' naar de gevolgen van de Mededingingswet. Op dit moment lopen de onderzoeken naar de eerste zeven deelmarkten in de curatieve zorg, te weten fysiotherapie (incl. oefentherapie Cesar en Mensendieck), logopedie, ergotherapie, mondzorg, psychologische zorg, kraamzorg en verloskunde. Kortom, naar al die vormen van zorg waarvoor geen abonnementstariefering geldt. Ook de huisartsen vormen een van de deelmarkten waar in de nabije toekomst een deelmarktanalyse zal plaatsvinden, en dan met name naar de mogelijk belemmerende invloed van het abonnementssysteem zoals dat met betrekking tot de zo belangrijke ziekenfondssector geldt. De LHV heeft reeds een jaar uitstel gekregen om zich voor te bereiden op een nieuw model van onderhandelen. De NMa heeft zich, zoals ik hierboven heb aangegeven, bereid verklaard nogmaals met de LHV het overleg aan te gaan over de wijze waarop door de huisartsen aan de naleving van de wet vorm gegeven kan worden. Ik heb er dan ook het volste vertrouwen in dat hier een voor alle partijen bevredigende oplossing uit zal komen, al kan ik op dit moment niet inhoudelijk aangeven waarop dat vertrouwen gebaseerd is. Huisarts én patiënt schieten er weinig mee op als na dit overleg een uitzondering gecreëerd zou worden voor de huisartsen. En de vraag doet zich zelfs voor of er uberhaupt wel iemand wat mee opschiet. Daarom zie ik, zoals ik hierboven heb uitgelegd, op dit moment ook geen concrete aanleiding voor het van toepassing verklaren van de Mede- dingingswet voor de huisartsenzorg. Ik stel mij voor de ontwikkelingen nauwlettend te volgen en mijn besluit te heroverwegen zodra de organisatie en finaciering van dit zorg- segment door mededingings-factoren belemmerd wordt in haar momenteel toch al zo problematische funktioneren en ontwikkeling.

(w.g.) A. Jorritsma-Lebbink

Minister van Economische Zaken


woensdag 10 april 2002 0 reacties | Lees verder
Word nu lid van HuisartsVandaag en profiteer van extra voordelen!

Altijd toegang tot het laatste nieuws
Reageer en communiceer met andere huisartsen
Dag- en dienstwaarnemingen, vacante praktijken en vacatures
Links naar gratis geaccrediteerde nascholingen
Dagelijks uitgebreide nieuwsbrieven

[Klik hier om u aan te melden]

Advertentie



Categorieën

Laatste reacties

Publieke Poll

Met welke stelling ben je het eens, mijn opinie over de NHG accreditatie is:
Moet worden afgeschaft, te veel werk te weinig opbrengst
Moet in sterk afgeslankte vorm gehandhaafd blijven
Moet in de huidige vorm elk jaar plaatsvinden
Moet in de huidige vorm minder vaak plaatsvinden
Geplaatst: 13-03-2017 Bekijk alle

HuisartsVandaag +Plus

gevraagd
gevraagd
gevraagd
gevraagd

Word lid en kom in contact met collega's
Diensturen
Diensturen
Kantooruren
Kantooruren
Diensturen
Diensturen
Diensturen
Diensturen
Diensturen
Kantooruren
Diensturen
Diensturen

Word lid en kom in contact met collega's