De huisarts en zijn diensten

zondag 23 september 2001
Geachte Collega's

Toch erg hè dat de miljoenennota ons niets vergoedt voor de diensten!! Een sterke stimulus voor het denken in de beroepsgroep. Een klap voor de onnozelen. Maar ja, dacht je nu werkelijk zomaar 400 miljoen erbij te krijgen? Financiën is niet dementerende Dagobert Duck! Strijd. Dat zal nodig zijn. Niet met anderen maar in ons zelf. Prima dus.

Voor de principiëlen, het inhoudelijk argument, De continuïteit van zorg overdag is het belangrijkst maar wordt bedreigd. De persoonsgebonden continuïteit van zorg stopt na 17.30 uur. De zorg verleend in de ANW-uren is een van de bedreigingen voor de continuïteit overdag. De inhoud van de ANW-zorg is een mengsel van spoed, angst, onrust, second opinion, gemakzucht en consumentisme. De verplichting tot het verrichten van diensten kwam voort uit de pijn van dokters dat een patiënt geen hulp kon bereiken wanneer hij acuut levensbedreigend ziek werd.
84.000 calls/jaar in OZL bewijzen dat die nood zo verdund is dat taakopvatting en verplichting heroverwogen moeten worden. Ervaringen in binnen- en buitenland bewijzen dat de spoedopvang prima door anderen dan huisartsen gedaan wordt. Huisartsen in Nederland kunnen het. Maar moeten ze het omdat ze het kunnen? Ook de principiëlen kunnen niet aan de moderne behoefte voorbij gaan waarin huisartsen in hun loopbaan taken willen oppakken en neerleggen.
Het verplichten tot het doen van alles maakt het onmogelijk voor oudere huisartsen overdag de praktijk voort te zetten: ze moeten stoppen wanneer de diensten te zwaar worden. Jonge huisartsen die een gezin opbouwen. Huisartsen die voelen dat het vak te zwaar wordt. Huisartsen die zorgtaken op willen nemen voor hun ouders. Huisartsen met kinderen of partners die ernstig ziek worden. Wat prevaleert: de harde lijn? , Het moeten? Of de introspectie en een flexibel personeelsbeleid voor ons allen??

De enige reden om de huisartsen te verplichten diensten te draaien is dat de kwaliteit van de zorg overdag zonder diensten te draaien onvoldoende wordt. Dat is niet zo. Daarom moet de verplichting uit de UVO verdwijnen. Blijft de verplichting bestaan dan houdt dat in dat artsen bij herregistratie aan moeten tonen dat ze diensten doen en niet verkopen!

Voor de onderhandelaars onder ons: start met het ontkoppelen van de diensten. NU! Alle partijen stormen op je af, VWS, ZN, patiëntenplatforms, de publieke opinie. Het creëert een onderhandelingsbehoefte bij de partners. Helaas afficheren we ons als hysterische figuren, wij dreigen nu met een zwakke als/dan-constructie aan het einde van de onderhandelingen, als we er niet genoeg voor krijgen doen we het niet meer!!! Jullie begrijpen hopelijk dat dat bizar is. De publieke opinie zal over ons heen vallen. Hoe kan je een taak niet meer tot de jouwe rekenen omdat je niet voor betaald krijgt? Met andere woorden verander je een beroepsprincipe vanwege de opportuniteit?? Vind je de verplichtstelling wel juist wanneer je er voor betaald krijgt??
Dus creëer een probleem aan het begin van de onderhandelingstrein en die vertrekt met de UVO en reserveer het dreigen en huilen voor het theater.

Voor de actievoerders: denk je werkelijk dat wij geen diensten meer gaan draaien wanneer we geen geld krijgen! Onnozel. Weet je wel hoe groot de interne cohesie van een groep huisartsen moet zijn om snel te converteren van 'moeten' naar 'stoppen', van 'bedienen' naar 'weigeren'. Ommen laat het eerste experiment zien. Binnen 3 dagen is iedereen om. Gewoon omdat de cohesie voor dit soort enorme actieprojecten te laag is. Dus: Dreig nooit met iets wat je niet waar kunt maken.
Wanneer de LHV de verplichting tot diensten handhaaft in de UVO mag je niet eens staken. En zal de actie zich binnen 6 maanden richten op de LHV. Want de periferie die na 01-01-2002 de onderhandelingen over de tarieven moet oppakken komt erachter dat ze door onze centrale club aan handen en voeten gebonden is. Dit zal ontwrichtende consequenties voor de interne verhouding hebben.

Voor de werklozen Na 01-01-2002 verliest de LHV een zeer belangrijke taak: onderhandelen over tarieven. Dat is een enorm verlies waarbij de legitimiteit van het voortbestaan ondergraven wordt. Laten de bestuurders hun laatste reflexen onderdrukken. Regeer niet over dit graf heen Haal de verplichting uit de UVO en beschrijf taken die het besturen weer onderbouwen. Een van die taken is het omvormen tot een bottom-up organisatie die gedragen op landelijk niveau wettelijke kaders bespreekt, pittfalls bij het invoeren van de basisverzekering voorziet, samenwerkt met patiëntenorganisaties om de unieke band tussen huisarts en patiënt ook op landelijk niveau inhoud te geven. Zorgdraagt voor flankerend beleid bij het handhaven van de zorg overdag. Verzekeraars afrekent op hun hybride commerciële gedrag. Visie!

4 oktober stemmen we. Over de verplichting in de UVO. Gemachtigd door de RHV zal ik alles doen om op die ledenvergadering dit gedachtegoed over te dragen.Ik hoop ook dat een voorstander argumenten geeft zodat we goed geïnformeerd kunnen besluiten.

Ik hoop velen van jullie daar te zien. Groet, Bram de Wit

 


Miljoenennota; Recht op zorg is een luchtballon geworden

dinsdag 18 september 2001

Voor herstel van de verslechterende financieel-economische basis van de huisartsenzorg worden door het nieuwe kabinet niet de noodzakelijke financiële middelen beschikbaar gesteld, aldus de Club van 100 waarin honderden verontruste huisartsen zijn vertegenwoordigd. Zij beschouwen zichzelf als klokkenluiders van de teloor gaande eerstelijnsgezondheidszorg.

Hoewel de bewindsman van VWS frequent verwijst naar de verantwoordelijkheid van de Zorgverzekeraars, menen die dat bij het gehandhaafde “Budgettaire Kader” geen adequate investeringen in de huisartsenzorg mogelijk zijn om de problemen in deze sector aan te pakken. De huisartsenzorg en daarmee natuurlijk vooral de patiënten, zijn van dit schaakspel, volgens de Club van 100, de dupe.

Indien VWS minister Bomhoff werkelijk meent dat de burgers “recht op zorg “ hebben “van januari tot Oudejaarsavond” dan hebben de inmiddels meer dan een half miljoen Nederlanders-zonder-eigen-huisarts, met Bomhoffs huidige beleidsvoor-stellen, het nakijken, volgens de Club van 100.

Het tekort aan huisartsen neemt op dit moment verontrustend toe, en daarmee ook de druk op de tweedelijn (ziekenhuizen), oa door onvoldoende vestigingen van nieuwe huisartsen en voortijdige praktijkbeëindiging door veel oudere huisartsen. Oorzaken hiervan zijn oa. de financiële problemen in de praktijkvoering en de overbelaste werkomstandigheden.

Hoewel in elk hoofdstuk van zijn Zorgnota “verantwoordelijkheid” het sleutelwoord is, lijkt het er sterk op dat het Bomhoff is ontgaan dat reeds thans een proces gaande is in de eerstelijnszorg dat leidt tot problemen waarbij de huidige wachtlijsten in de ziekenhuizen sneller zullen oplopen dan dat Bomhoff ze kan laten slinken. De Club van 100 stelt n.a.v. de Miljoenennota vast, dat de minister op dit punt zijn “verantwoordelijkheid” niet neemt, netzomin als de Zorgverzekeraars.

Binnen de ambtstermijn van deze minister loopt het aantal Nederlanders-zonder-eigen-huisarts(enzorg) op tot zo’n 4 miljoen mensen. De resterende huisartsenpraktijken, EHBO-afdelingen en poliklinieken van ziekenhuizen zullen de toestroom van hulpzoekende burgers niet aankunnen. De wachtlijsten voor èchte ziekenhuispatiënten breiden daardoor verder uit. Het “recht op zorg” is daarmee tot lege luchtballon geworden, aldus de Club van 100.

“Recht op zorg” betekent voor dit kabinet in werkelijkheid dus iets anders dan dat die zorg ook beschikbaar zal zijn voor de burgers. De verantwoordelijkheid hiervoor neemt het kabinet niet op zich, menen de huisartsen.

“De beschikbaarheid van huisartsenzorg is reeds dermate aangetast, dat het van meer beleidskracht zou getuigen om i.p.v. met stoere frasen, met sterke daden de publiciteit te halen”. Zelf zullen de huisartsen hun inzet en bijdrage aan de zorg gaan aanpassen aan de beschikbaar gestelde financiering onder het motto: “Geen geld, geen zorg.” Tal van taken die tot nu toe onbetaald zijn gebleven worden geschrapt uit hun huidige takenpakket. Dit zal zeker tot verschraling van de huisartsenzorg leiden. De financieel-economische omstandigheden dwingen ons daar echter toe, aldus de verontruste huisartsen.

Namens de Club van 100 17 september 2002

Hans Nobel, huisarts


Hagro Borne e.o. maakt bezwaar tegen dienstenstructuur in Twente

woensdag 12 september 2001
N.W.Drijber, huisarts
Voorzitter HAGRO Borne/Delden/Hengevelde

Borne, 12 september 2001

Plexus Medical Consult
IJsbaanpad 10C
1076 CV Amsterdam

Afschrift: Mr. C.J. van Dijk, directeur
DHV Twente


Mijne heren,

Wij ontvingen uw schrijven van 28 augustus jl. in goede orde. Bij dit schrijven, waarin melding wordt gemaakt van de voortgang van het onderzoek dat Plexus Medical Consult in opdracht van de DHV Twente heeft uitgevoerd, is een HAGRO-vragenlijst dienstenstructuur RHV Midden-Twente gevoegd. U schrijft, dat de bedoeling is dat de HAGRO de voorstellen die door Plexus gedaan worden bespreekt en stelt een aantal vragen waarbij u vermeldt dat het beantwoorden van de vragen niet vrijblijvend is. Op basis van deze geretourneerde vragenlijsten zal immers bepaald worden welke onderdelen van de nieuwe dienstenstructuur kunnen worden geimplementeerd.

In verband met één en ander heeft de HAGRO Borne/Delden/Hengevelde een gesprek gevoerd met enkele van uw vertegenwoordigers op dinsdag 11 september jl. In dat gesprek zijn door ons een aantal kritische kanttekeningen gemaakt met betrekking tot de opdracht die Plexus had en de wijze van aanpak. De HAGRO Borne/Delden/Hengevelde had liever gezien dat u een ruimere opdracht had gekregen. Zo had de opdracht bijvoorbeeld kunnen luiden: "Wilt u bekijken welke dienstenstructuren er zoal mogelijk zijn en wilt u kijken welke dienstenstructuur het best past bij de lokale situatie in Hengelo of in Borne of in een aantal plaatsen tegelijk ". Nu andere opties niet onderzocht zijn ziet onze HAGRO dit als een ernstig manco. Voorbeelden van andere organisatievormen van een centrale dienstenstructuur hebben wij op 11 september j.l. met u besproken.

Er is nog een tweede factor die bedenkingen oproept bij onze HAGRO. Het is vooralsnog nog niet duidelijk wat de juridische onderbouwing wordt van de huisartsen die aan een centrale dienstenstructuur deelnemen. Het ziet er naar uit, dat de deelnemende artsen in ieder geval een contract dienen te hebben gesloten voor het verrichten van 24-uurszorg met een grote lokale ziektekostenverzekeraar, in ons geval Amicon. Daarmee gaan de betrokken huisartsen een contract aan voor onbepaalde tijd voor het verrichten van diensten in de avonden, nachten en weekenden. Wil men uit de dienstenstructuur stappen dan zal dat niet zomaar gaan. Kan dit uiteindelijk wel, dan is men contractueel gehouden diensten op een andere wijze te doen. Het opzeggen van diensten is dan niet meer mogelijk. Op dit moment is dat contractueel wel mogelijk. De HAGRO Borne/Delden/Hengevelde vindt dit, zeker in het licht van de huidige onderhandelingspositie met de ziekenfondsen en de minister, op dit moment ongewenst. In ieder geval is het zo, dat zolang er geen absolute duidelijkheid bestaat over de juridische positie van de deelnemende artsen aan een centrale dienstenstructuur de HAGRO Borne/Delden/Hengevelde niet zonder meer aan een dergelijke structuur zal willen deelnemen.

Tenslotte vindt onze HAGRO dat er te weinig rekening wordt gehouden met het schaarstemodel. Immers, de uitstroom van praktiserende huisartsen is groot en de instroom is gering. Het tekort zal dus toenemen. Dat houdt onvermijdelijk in, dat de hoeveelheid diensten die door de deelnemende huisartsen voor de centrale dienstenstructuur wordt verricht in de toekomst zal toenemen. In het rapport van Plexus wordt daarop niet geanticipeerd; het lijkt er zelfs op, dat daarover niet is nagedacht. Gevreesd moet worden dat huisartsen die nu nog positief oordelen over hun centrale dienstenstructuur , in de toekomst, door toename van het aantal diensten per huisarts, hun mening zullen herzien.

Concluderend deel ik u mede, dat de HAGRO Borne/Delden/Hengevelde weliswaar positief staat tegenover het oprichten van een centrale dienstenstructuur, maar gezien bovenstaande onzekerheden en onvolkomenheden haar beslissing over het aangaan van een dergelijke structuur op dit moment wenst op te schorten.

Vanzelfsprekend zijn wij tot een nadere toelichting bereid. Voorts zien wij graag uw reactie op het bovenstaande tegemoet.

Met vriendelijke groet.

NW Drijber


Hagro Borne e.o. maakt bezwaar tegen dienstenstructuur in Twente

woensdag 12 september 2001
N.W.Drijber, huisarts
Voorzitter HAGRO Borne/Delden/Hengevelde

Borne, 12 september 2001

Plexus Medical Consult
IJsbaanpad 10C
1076 CV Amsterdam

Afschrift: Mr. C.J. van Dijk, directeur
DHV Twente


Mijne heren,

Wij ontvingen uw schrijven van 28 augustus jl. in goede orde. Bij dit schrijven, waarin melding wordt gemaakt van de voortgang van het onderzoek dat Plexus Medical Consult in opdracht van de DHV Twente heeft uitgevoerd, is een HAGRO-vragenlijst dienstenstructuur RHV Midden-Twente gevoegd. U schrijft, dat de bedoeling is dat de HAGRO de voorstellen die door Plexus gedaan worden bespreekt en stelt een aantal vragen waarbij u vermeldt dat het beantwoorden van de vragen niet vrijblijvend is. Op basis van deze geretourneerde vragenlijsten zal immers bepaald worden welke onderdelen van de nieuwe dienstenstructuur kunnen worden geimplementeerd.

In verband met één en ander heeft de HAGRO Borne/Delden/Hengevelde een gesprek gevoerd met enkele van uw vertegenwoordigers op dinsdag 11 september jl. In dat gesprek zijn door ons een aantal kritische kanttekeningen gemaakt met betrekking tot de opdracht die Plexus had en de wijze van aanpak. De HAGRO Borne/Delden/Hengevelde had liever gezien dat u een ruimere opdracht had gekregen. Zo had de opdracht bijvoorbeeld kunnen luiden: "Wilt u bekijken welke dienstenstructuren er zoal mogelijk zijn en wilt u kijken welke dienstenstructuur het best past bij de lokale situatie in Hengelo of in Borne of in een aantal plaatsen tegelijk ". Nu andere opties niet onderzocht zijn ziet onze HAGRO dit als een ernstig manco. Voorbeelden van andere organisatievormen van een centrale dienstenstructuur hebben wij op 11 september j.l. met u besproken.

Er is nog een tweede factor die bedenkingen oproept bij onze HAGRO. Het is vooralsnog nog niet duidelijk wat de juridische onderbouwing wordt van de huisartsen die aan een centrale dienstenstructuur deelnemen. Het ziet er naar uit, dat de deelnemende artsen in ieder geval een contract dienen te hebben gesloten voor het verrichten van 24-uurszorg met een grote lokale ziektekostenverzekeraar, in ons geval Amicon. Daarmee gaan de betrokken huisartsen een contract aan voor onbepaalde tijd voor het verrichten van diensten in de avonden, nachten en weekenden. Wil men uit de dienstenstructuur stappen dan zal dat niet zomaar gaan. Kan dit uiteindelijk wel, dan is men contractueel gehouden diensten op een andere wijze te doen. Het opzeggen van diensten is dan niet meer mogelijk. Op dit moment is dat contractueel wel mogelijk. De HAGRO Borne/Delden/Hengevelde vindt dit, zeker in het licht van de huidige onderhandelingspositie met de ziekenfondsen en de minister, op dit moment ongewenst. In ieder geval is het zo, dat zolang er geen absolute duidelijkheid bestaat over de juridische positie van de deelnemende artsen aan een centrale dienstenstructuur de HAGRO Borne/Delden/Hengevelde niet zonder meer aan een dergelijke structuur zal willen deelnemen.

Tenslotte vindt onze HAGRO dat er te weinig rekening wordt gehouden met het schaarstemodel. Immers, de uitstroom van praktiserende huisartsen is groot en de instroom is gering. Het tekort zal dus toenemen. Dat houdt onvermijdelijk in, dat de hoeveelheid diensten die door de deelnemende huisartsen voor de centrale dienstenstructuur wordt verricht in de toekomst zal toenemen. In het rapport van Plexus wordt daarop niet geanticipeerd; het lijkt er zelfs op, dat daarover niet is nagedacht. Gevreesd moet worden dat huisartsen die nu nog positief oordelen over hun centrale dienstenstructuur , in de toekomst, door toename van het aantal diensten per huisarts, hun mening zullen herzien.

Concluderend deel ik u mede, dat de HAGRO Borne/Delden/Hengevelde weliswaar positief staat tegenover het oprichten van een centrale dienstenstructuur, maar gezien bovenstaande onzekerheden en onvolkomenheden haar beslissing over het aangaan van een dergelijke structuur op dit moment wenst op te schorten.

Vanzelfsprekend zijn wij tot een nadere toelichting bereid. Voorts zien wij graag uw reactie op het bovenstaande tegemoet.

Met vriendelijke groet.

NW Drijber


Interview met Robert Mol, huisarts te Hoogvliet

maandag 10 september 2001


Kort geleden ben je begonnen met een website de e-maildokter (http://www.emaildokter.nl), voor vragen van patiënten per e-mail. Hoe ben je zo op het idee gekomen?

Allereerst was ik het vechten tegen de "koppige monsters" (verzekeraars, lhv en overheid) meer dan zat. Ik was toe aan een positieve wending en die vond ik tijdens de recente huisartsenstaking.

Ik heb toen van 8.00 tot 16.00 uur voor 45.000 patiënten zelf de telefoon beantwoord. Van de 50 telefonische consulten werden 4 visites gereden en 2 patiënten persoonlijk gezien.
Iedereen kreeg de mogelijkheid om voor 16.00 uur terug te bellen in geval van twijfel. Eén persoon deed dit, om te melden dat het goed ging met haar moeder. Hierdoor kwam ik tot de conclusie dat wij huisartsen veel meer per telefoon kunnen dan we denken. Hierna kwam ik op de e-mail als communicatiemiddel.

Via ID-NL een innovatiecentrum voor uitvindingen te Rotterdam liet ik mijn idee beoordelen. De directeur, een arts, deelde mij spoedig mede: starten! Nadien liet ik een kleine site maken en rond 15 juli j.l. ben ik gestart.

Je zult ongetwijfeld veel reacties gehad hebben op deze nieuwe vorm van communiceren, kun je er enkele van noemen?

fris initiatief
ik vind je dapper
fijn dat de pers het zo leuk oppakt
slim initiatief
ik hoop dat het een groot succes wordt
ik wens u zeer veel succes
compliment, ik hoop dat dit voor huisartslozen een mooie extra faciliteit biedt
een heel goed initiatief
fijn voor de bejaarde patiënt, die in de toekomst zonder huisarts komt te zitten
ZK-Achmea: je hebt wel erg veel lef!

Ministerie wvs: corresponderen uw tarieven met de wtg-tarieven? Gaat u ook "zwaardere" medicijnen voorschrijven? Verwijst u bepaalde symptomen door?

7 patiënten zijn tot op heden via hun emailbericht teruggebeld:
één recept
verzoek voor een psycholoog
voor afspraak spreekuur
verzoek voor inlichtingen over ziekte familielid in buitenland
vraag over knie-trauma
verzoek verwijskaart kaakchirurg i.v.m. het niet kunnen consulteren tandarts (niemand in de regio wilde hem aannemen)
kindje van 2.5 jaar, bleek, niet meer drinkend en 38.5 temp, beoordeeld op de praktijk

Welke voordelen en welke nadelen zie je in deze vorm van consultvoering?


Ik zie bijna alleen maar voordelen: efficiëntie en effectiviteit worden bevorderd.
Bevorderend voor het verantwoordelijkheidsgevoel van de patiënt. Het beschrijven van een klacht geeft de patiënt weer een ander en wellicht beter inzicht van zijn/haar ziektebeeld.
Er is geen hinderlijke en bloeddrukverhogende ingesprektoon meer bij een telefonisch spreekuur.
Het zien van minder patiënten levert energie op, die eventueel besteed kan worden aan privé-leven, voorkomen van burnout. Persoonlijk contact wordt alleen nog maar gegeven aan zaken die echt nodig zijn. Hoeveel patiënten zien we per dag niet met twee dagen keel- rug- of hoofdpijn, vaak zijn ze erg vermoeiend.

Tenslotte is het gewoon lekker modern bezig zijn met een communicatiemiddel wat we in dit land veel te veel onderkennen. Denk alleen maar aan het feit, dat onze bejaarde patiënten via dit middel met ons gaan communiceren. Wat scheelt ons dit een tijd en energie en ergernis. Hoeveel minuten zijn we per dag niet kwijt aan het wachten bij de voordeur en zeker als ze dan ook nog bij de deur tot de conclusie komen dat ze de sleutel vergeten zijn.....

Met de webcam in de zeer nabije toekomst gaan echter andere deuren veel sneller open!!
Tot de nadelen reken ik minder persoonlijk contact, alhoewel het verplicht terugbellen met een prettige stem is ook weer een voordeel (Johan Cruyff).
Patiënten moeten een e-mailsysteem hebben. In de Haagsche Courant heb ik al medegedeeld: de overheid moet alle bejaarden een computer aanbieden. Allereerst eindelijk goed besteed overheidsgeld. Daarbij blijven ze modern denken, ze blijven jonger van geest. Echter als de stroom uitvalt, is er een probleem.

Veel collegae zijn bang voor een enorme hoeveelheid e-mail die op hen afkomt, wat is ondertussen je ervaring hiermee?

Huisartsen moeten niet bang zijn, want dan trekken ze juist veel bange mensen aan en die maken ons moe. Ervaring staat reeds boven beschreven. Hoeveel telefoontjes en spreekuur-onzin krijgen we niet per dag. Ik denk dat e-mailcommunicatie de patiënt juist meer gaat laten nadenken: doe ik het wel of niet? Ook geeft e-mail klachtenpost (kleine hoeveelheid tot nu toe) een duidelijk beeld van de klacht.

Hoe zie je de toekomst van de huisarts en internet/e-mail?

De emaildokter is in Nederland nog in utero. Dit zal niet echt lang meer duren. Mede daar een grote Nederlandse gezondheidssite nu al interesse toont voor dit idee. De Nederlandse huisarts moet alleen nog wakker worden en gaan beseffen dat we in 2001 leven, gekenmerkt door moderne vormen van communicatie, die we veel te weinig durven te gebruiken.


Hay en ledenvergadering R.Schenau Enschede

maandag 3 september 2001

Beste afgevaardigden,

Wij hebben geen opiniërende RHV-vergadering meer betreffende de onderhandelingsinzet Hay, vandaar dat ik mijn mening dan maar hier debiteer:

Zolang het verschil tussen huidige norminkomen en reëel inkomen, ondanks de kleine verbetering, die de verhoging van de onkostenvergoeding heeft gebracht, dermate groot blijft, dat het gros van de huisartsen dit norminkomen nooit kan halen, is het praten over verhoging van dat norminkomen, en hoe dat te bereiken, een discussie over gebakken lucht.

Ook al zou het resultaat zijn, dat er in zijn totaliteit weer iets bijkomt, zal het verschil tussen norm en realiteit alleen maar oplopen, hetgeen een frustratiefactor van de eerste orde is. Het zal mij terugwerpen in het gevoel, dat ik het zakelijk geheel verkeerd doe, ondanks het feit dat ik me kapot werk voor die tent. (ik redt het niet met 14 uurtjes overwerk).
Kortom, mijn gevoel is dat we daarmee het huisartsenvak nou niet direct uit de bagger trekken.

De opdracht voor de LHV de komende tijd: mij en de meeste anderen in staat stellen het huidige norminkomen te halen. En als ik meer patiënten heb dan de norm, daar moet ik dan ook de vruchten van kunnen plukken. Die 250 miljoen is ons verkocht als een eerste stap. Als ik het allemaal goed begrijp wil het bestuur het hier voorlopig alweer bij laten. Neen!! Werkelijk gemaakte kosten dienen met een werkelijke kostenvergoeding te worden gehonoreerd. Niet half of voor een kwart.
Rick Schenau, Enschede.

En nu niet zeggen: dat moet je perifeer regelen. Dat is mij veel te makkelijk:
Jullie moeten het landelijk regelen, en ik moet het perifeer met mijn zorgverzekeraar uitvoeren.

Afgevaardigden, hou het kort over Hay. Gebakken lucht. Praat over niet nagekomen beloftes, openstaande rekeningen, een concreet vervolg tot 2002. Creëer eerst zelf een werkelijkheidswaarde voor zo'n rapport.


Onderhandelingsruimte tijdens contractloze periode

dinsdag 3 juli 2001


De DHV Twente, zal morgen in samenwerking met AMICON zorgverzekeraar, een persconferentie geven vanuit het AMICON gebouw in Enschede, als ik het goed heb rond 17.00 uur.

Voor de inhoud van die persbijeenkomst verwijs ik u allen graag naar de lokatie en de tijd hierboven genoemd.

Als persoon, onderdeel uitmakend van een groep Twentse huisartsen die op inhoudelijke termen een "eigen weg" verkiest, hecht ik eraan u mede te delen, dat een aantal Twentse huisartsen het plan hebben opgevat, de ruimte tot 7/8 aanstaande (de "redelijke termijn, genoemd door de DHV, waarbinnen artsen al dan niet besluiten een contract zoals dat zal worden aangeboden door AMICON al dan niet te tekenen, e.e.a. met het oog op de vakantieperiode") te zullen benutten, door, waar mogelijk, juridiese termen te toetsen voor wat betreft, het verkrijgen van een betere uitgangssituatie mbt het voortbestaan van de huisartsengeneeskundige zorg nu en in de toekomst. Kort en goed: Tot 7/8 aanstaande hebben deze dokters de tijd om te checken, of er niet meer in zit!

Deze "Check" zal plaatsvinden, middels consultatie van deskundige juristen.

Tot 7/8 a.s. is er defacto sprake van een "vage" situatie in huisartsenland, waarbij er in feite sprake is van een "contractloze periode". Volkomen onduidelijk is, hoeveel huisartsen, uiteindelijk het door AMICON aangeboden contract zullen tekenen. Te verwachten valt, dat bij steekhoudende argumentatie, welke leidt tot een beter resultaat dan thans verkregen, te benoemen als NIHIL, vele huisartsen alsnog op hun schreden zullen terug keren...

Duidelijk echter is, dat de kou voor wat betreft de huisartsenzorg nog lang niet uit de lucht is, mede gezien het feit dat door de verzekeraar op dit moment slechts ad Hoc gehandeld wordt voor wat betreft de noodzakelijk te leveren steun in "crisis-achtige" situaties. Te denken valt hierbij aan de opstelling n.a.v. de per 1/7/01, "verlaten" praktijk in Enschede, waar de verzekeraar naburige huisartsen "paait "met een "crisis-tarief " per noni (zwerver in de zorg), ter grote van het visite-tarief, zo'n 75 piek per consult (...). Als er een ramp dreigt, is er kennelijk geld...

Sjef Willemen, huisarts, niet "de woordvoerder" van de Twentse Huisartsen, wel zoeker naar een inhoudelijke


Dokter de Kwaadsteniet en de NONI's

zondag 1 juli 2001

"Volgende patiënt".
Arie de Kwaadsteniet, huisarts in één van de 'erkende' achterstandswijken van Utrecht, liet na het bijna gedachtenloos bedienen van de intercom nog even een snelle blik vallen op de 17 inch monitor die een groot deel van zijn bureau in beslag nam. Zijn His liet hem alle ongemakken van meneer Kortekaas zien, samengebald in één enkel infoscherm.
De deur van de spreekkamer ging open. Geen meneer Kortekaas, maar een voor Arie wildvreemde patiënt kwam binnen. Nog voor de man iets had gezegd herkende Arie de representant van het steeds groter wordende leger der NONI's. Niet Op Naam Ingeschrevenen hadden de eens zo geprezen maar thans verguisde ziektekostenverzekeraars deze huisartsloze mensen genoemd. In Arie's buurt hadden de laatste 9 maanden 4 huisartsen het voor gezien gehouden. Opvolgers of waarnemers waren er door het gruwelijke huisartsentekort niet te vinden. Ruim 9000 huisartsloze patiënten waren er in Arie's buurt al te vinden. Hij had een soort zesde zintuig voor NONI's. Was het de vragende blik in hun ogen, was het de envelop met medische gegevens die ze steevast bij zich droegen, Arie herkende ze meteen. Te pas en te onpas kwamen ze de praktijk binnen terwijl hij bezig was met de 2344 bij hem ingeschrevenen.

"Dokter, even een kleinigheid" of "Dokter, nou ik u zie, wil ik even wat vragen" waren nog de vriendelijkste verzoeken om hulp. Het kon erger, tot scheldpartijen en bedreigingen toe: " As je mij niet helpt kom ik je praktijk wel even verbouwen"!!!

Weer anderen poogden met een fles wijn of zelfgebakken taart zich een plaats in de praktijk te verwerven. Arie verafschuwde dergelijke pogingen. Een voordeel was dat de eigen patiënten nauwelijks meer mopperden in de wetenschap dat zij tenminste nog wel een huisarts hadden.

"Leonie", brulde Arie door de telefoon naar zijn assistente, " Er is weer een NONI binnen". "Wijs meneer de weg naar zijn ziekenfonds". Met een zucht rees hij uit zijn stoel op en werkte de tegensputterende NONI de spreekkamer uit. Op de gang hoorde hij de patiënt nog nasputteren tegen zijn assistente.

Hij bedacht hoe vaak dit soort incidenten zich voordeed en hoeveel verspilde energie in die onderbrekingen van zijn dagelijkse werk ging zitten. Minstens 4 maal per ochtend was het raak.

In Hagro-verband was er een tijdje over gebrainstormd maar niemand had een oplossing voor het probleem van de NONI's. Het enige advies was: vraag het uw verzekeraar, want die moet voldoende zorg inkopen. Uiteindelijk kwamen de meeste NONI’s op de EHBO van het ziekenhuis terecht met hun medische problemen.

Ook gisteravond was Arie nog naar een Hagro-vergadering geweest. Hij kwam er niet vrolijk van thuis. Op de Wittevrouwensingel zou over een half jaar weer een collega gaan stoppen. Opvolging: nul komma nul. Weer ruim 2000 man zonder huisarts. Hij kon de verantwoordelijke bewindslieden haast eigenhandig levend (langzaam, zei er dan bij) villen bij de gedachte dat voor dit soort noodtoestanden door de werkers in het veld al lang gewaarschuwd was. Maar neen hoor, capaciteitsproblemen waren lang afgedaan als geklaag zonder grond. Den Haag wist het wel. Toen het tekort aan huisartsen gierend uit de hand liep hadden diezelfde bureaucraten eerst geopperd dat iedereen de schouders er maar onder moest zetten en de normpraktijk groter mocht zijn. Door dat soort opmerkingen raakten Arie en zijn confraters nog moedelozer.

Her en der had met geprobeerd met verpleegkundigen de ontstane gaten te vullen naar Nieuwolda's model maar na een aantal missers hadden de patiënten daar geen vertrouwen meer in. De overgebleven collega huisartsen kostte het ook te veel tijd om deze In Den Haag bedachte zorgvariant te begeleiden.

Zelf boodschappen doen in de buurt was ook geen lolletje meer want hetzij een medeklant hetzij de winkelier begon steevast te vragen of meneer dokter nog nieuwe patiënten aannam. Het toppunt was wel Arie's laatste bezoek aan het postkantoor toen hij zijn rekeningen als partijpost aanbood. Nauwelijks uitgesproken over de hoogte van het verschuldigde bedrag begon de lokettiste toen ze zag dat ze een huisarts voor zich had: "Nu ik u toch spreek dokter de Kwaadsteniet, ik heb geen huisarts, kunt u mij helpen?". Zich inhoudend had Arie diep zuchtend het postkantoor verlaten.
Hij nam zich voor zijn rekeningen voortaan door telkens een ander gezinslid de rekeningen aan tante Pos te laten aanbieden. Hoewel hij beroepsmatig veel mensen sprak raakte hij toch sociaal geïsoleerd hierdoor. Ook sporten in teamverband had hij er al aan gegeven vanwege gelijksoortige opmerkingen van teamleden die ook NONI waren. Alleen wat rijden op zijn racefiets deed hij nog. Dan had hij tenminste geen last van NONI's.

" Nog 5 jaar en dan pensioen", had hij op zijn 55-e verjaardag luidkeels verkondigd maar 5 jaar is wel verdomde lang als je dag na dag moet aftellen.

Na het ochtendspreekuur met de gebruikelijke NONI-storingen kwam Leonie de stapel post brengen. Eerst de onvermijdelijke stapel briefjes, machtigingen en herhaalrecepten om te tekenen en dan de geënveloppeerde zaken. Al openscheurend maakte Arie gelijk stapeltjes: reclame, brieven van NONI's met smeekbeden om ingeschreven te kunnen worden, specialistenbrieven, tijdschriften en privépost.

Geroutineerd werkte hij zich er doorheen. Bij het lezen van een brief van het ministerie van VWS hield hij plots op. Zijn ademhaling stokte. Hij geloofde niet wat hij las.

Paniek, pure paniek brak in hem uit. "Dat is de nekslag", kwam er nog uit zijn mond. Hij poogde op te staan maar zijn benen konden hem niet meer dragen. Hij zag plots rijen vol NONI's voor zich staan, ordelijke rijen maar wel kilometers lang. Toen werd het hem grauw voor de ogen. In zijn hart raakte de prikkelgeleiding plots verstoord en gingen de ventrikels over op een razendsnel maar uiterst inefficiënt ritme. Hij zeeg in zijn stoel ineen, zijn hoofd landde hart op het bureaublad.

Razendsnel was Leonie ter plaatse. Ondanks de cursus die ze als assistente-plus gevolgd had lukt het haar niet de gevelde huisarts te reanimeren.

"Waarom, waarom? " vroeg zij zich huilend af toen haar reanimatiepogingen vruchteloos bleken. Haar blik viel op de brief van het ministerie van VWS die op het bureaublad lag.

Ze las. Ook zij geloofde niet wat ze zag maar haar hart was sterker.

"Het kabinet heeft op verzoek van de bewindsvrouwe van VWS besloten dat het huisartspensioenfonds tot nader order geen pensioen meer op 60 jarige leeftijd mag laten ingaan. Het kabinet beraadt zich op nadere maatregelen zoals het opschorten van de pensioengerechtigde leeftijd tot 65 jaar of ouder, al naar het landsbelang zulks vordert."

Die middag waren er weer 2344 NONI’s bij in Utrecht

Elke gelijkenis met bestaande personen of toestanden berust op toeval.


Brief minister VWS inzake het standpunt op hoofdlijnen over het advies van de commissie Tabaksblat

vrijdag 29 juni 2001

27401 Zorgnota 2001
Nr. 66 Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 juni 2001

1. Inleiding
Op 5 april 2001 heeft de Commissie Toekomstige Financieringsstructuur Huisartsenzorg - naar haar voorzitter ook wel aangeduid als commissie Tabaksblat - mij haar advies "Een gezonde spil in de zorg" aangeboden. Nog diezelfde dag heb ik de Tweede Kamer het advies toegezonden.
Gaarne voldoe ik aan het verzoek van uw Kamer van 27 juni jl. (VWS/01/39/LW) om u nog voor het Algemeen Overleg dat ik op 4 juli 2001 heb met de Vaste Commissie voor VWS over de huisartsenzorg en de tandheelkunde, te informeren over mijn standpunt op hoofdlijnen. Een nadere uitwerking daarvan zal ik u toezenden na afronding van het bestuurlijk overleg met partijen en nader beraad in het kabinet.

1. Huisartsenzorg in verandering
De huisartsenzorg in Nederland is een groot goed. De huisarts vervult in ons land een spilfunctie in de gezondheidszorg: bij gezondheidsklachten wendt de burger zich vrijwel steeds als eerste tot de huisarts. Door zijn brede medische kennis handelt deze meer dan 90% van deze gezondheidsklachten zelfstandig af. Voor zover specialistische of andere hulp noodzakelijk is, vormt de huisarts veruit de belangrijkste verwijzer. Vanwege zijn positie is de huisarts voor velen een laagdrempelige vertrouwenspersoon.
Mijn beleid is er op gericht, conform het advies, deze centrale positie als spil in onze gezondheidszorg ook in de toekomst, in een zich snel wijzigende omgeving, te handhaven en waar mogelijk nog te versterken.

De huisartsenzorg bevindt zich momenteel in een proces van snelle veranderingen. Tal van ontwikkelingen zijn van invloed op deze zorg. Ik verwijs voor een overzicht hiervan naar de schets die de commissie daarvan geeft in hoofdstuk 1 en bijlage 4 van haar advies. Ik deel de analyse van de commissie.

Veranderingen beroepsgroep
In de beroepsgroep zelf hebben zich ook veranderingen voorgedaan. Huisartsen oriënteren zich wat werktijden betreft meer en meer op hetgeen gebruikelijk is in de samenleving, om een betere balans tussen werk en privé-leven te realiseren en ook neemt onder hen de wens om in deeltijd te kunnen werken toe. De huisarts ziet zich geconfronteerd met een steeds beter geinformeerde patiënt door betere scholing en betere mogelijkheden om informatie te verwerven zoals via het internet. Daarmee is ook de bewerkelijkheid van patiënten en de tijd die gemoeid is met het consult, toegenomen. Daarbij spelen ook verkorting van de opnameduur van patiënten en extramuralisering van de zorg een rol.
Het aandeel vrouwelijke huisartsen neemt gestaag toe en bedraagt nu 25%. Het aantal huisartsen dat in een solopraktijk werkt daalt al jaren en bedraagt nu nog slechts 44%. Praktijkzoekende huisartsen wensen tegenwoordig doorgaans niet langer in een solopraktijk te werken: slechts 4% van hen heeft nog een voorkeur voor de solopraktijk (Nationaal Kompas Volkgezondheid, http://www.rivm.nl/nationaalkompas). De financieringsstructuur is echter niet op deze veranderingen aangepast.

Als gevolg van deze en andere ontwikkelingen is de werkdruk gestegen en is er een tekort aan huisartsen ontstaan, is de taak van de huisarts zwaarder geworden en ook inhoudelijk veranderd.
Onder druk van deze omstandigheden worden nieuwe eisen aan de beroepsuitoefening gesteld; eisen die een aanpassing vereisen van de structuur en organisatie van de huisartsenzorg. De oplossing wordt veelal gezocht en gevonden in samenwerkingsverbanden, in het oprichten van groepspraktijken dan wel gezondheidscentra en in professionele ondersteuning die voor de huisarts een "terugkeer" naar de kerntaken - de directe patiëntenzorg - mogelijk maakt.
De ervaringen van de afgelopen jaren hebben echter geleerd dat deze modernisering wordt afgeremd door onder meer de huidige, versnipperde en weinig transparante wijze van financiering.
Bovendien is het huidige model in essentie centralistisch: het gaat ervan uit dat op centraal (landelijk) niveau landelijk geldende regelingen worden getroffen, waardoor er geen rekening kan worden gehouden met de behoefte van partijen op lokaal of regionaal niveau "oplossingen op maat" te realiseren. Dit centralisme verdraagt zich niet met mijn visie op vraag-georiënteerde zorg en het leveren van maatwerk door regionale en lokale partijen.

Actuele problematiek
Dat vernieuwingen dringend noodzakelijk zijn is de afgelopen periode gebleken. De beroepsgroep ziet zich de laatste tijd geconfronteerd met problemen van diverse aard, zoals:
- Problemen met de vervulling van vacatures.
- Een als steeds zwaarder ervaren belasting van de diensten in de avonden, nachten en weekenden.
- Onvrede over een praktijkkostenvergoeding die te veel achter is gebleven om een moderne praktijkvoering mogelijk te maken.
- De moeizaam van de grond komende intrede van praktijkverpleegkundigen.
- Een als niet langer adequaat ervaren honoreringsstructuur.
Dit alles heeft tot spanningen geleid, zich uitend in ondermeer diverse protest-acties in de achter ons liggende maanden. Onder patiënten heeft dit tot onrust geleid over de beschikbaarheid en continuïteit van deze voor hen zo belangrijke zorgverlening.

Ik neem deze problemen bijzonder ernstig. Ze vragen dringend om een oplossing. Een oplossing die de motivatie bij huisartsen versterkt en hen weer een perspectief biedt op een bevredigende beroepsuitoefening.
Deze oplossing ligt in een samenhangend geheel van maatregelen dat de modernisering van de huisartsenzorg ondersteunt en versnelt en de capaciteitsproblemen, de hoge werkdruk en de financieringsknelpunten aanpakt. Uit de eerste reacties van partijen is mij gebleken dat met name de voorstellen van de Commissie Tabaksblat daaraan bijdragen.

Positieve ontwikkelingen
Gelukkig zijn er naast de bovengeschetste problemen ook zaken ten goede te signaleren:
Meer en meer slagen huisartsen er in aan hun onderlinge samenwerking adequaat vorm te geven, bijvoorbeeld in de vorm van Huisartsen Onder Een Dak (HOED). Meer en meer wordt ook de samenwerking met andere disciplines in de eerstelijnszorg, bijvoorbeeld in de vorm van gezondheidscentra, gevonden. Door dergelijke meer doelmatige organisatie-vormen wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de werkdruk. Ook de intrede van de praktijkverpleegkundige draagt daaraan bij en bevordert dat de huisarts zich weer meer op zijn kerntaken kan concenteren.
Ook worden op steeds meer plaatsen huisartsenposten in of in de directe nabijheid van ziekenhuizen ingericht, zodat ook voor de samenwerking met de tweedelijnszorg nieuwe en doelmatiger samenwerkingsvormen ontstaan.
Op mijn verzoek zijn partijen - vooruitlopend op een definitieve regeling van de financiering en tariefering - in het hele land voorvarend aan de slag gegaan met het oprichten van dienstenstructuren voor de avond, nacht en weekend. Ook dat draagt bij aan vermindering van werkdruk en vergroting van doelmatigheid.
Tenslotte heb ik recent ingestemd met de op verzoek van partijen door het CTG vastgestelde beleidsregel om de praktijkkostenvergoeding aan te passen.

2. Uitgangspunten voor de toekomstige aanpak
De Commissie heeft bij het opstellen van haar advies de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- Vraagsturing en patiënt centraal.
- Solidariteit en beschikbaarheid.
- Bevordering van kwaliteit.
- Huisartsenzorg hoort thuis in het totale basisverzekeringspakket voor de zorg.
- De huisarts is vrije beroepsbeoefenaar.
- Partijen dragen eigen verantwoordelijkheid.
- De overheid stelt randvoorwaarden.
- Financiering is instrumenteel voor de zorgvisie.

Deze uitgangspunten onderschrijf ik. Ze zijn in lijn met mijn beleid zoals ik dat uiteen heb gezet in het Actieplan Zorg Verzekerd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000-2001, 27 488, nr. 1) en de beleidsbrief Modernisering Curatieve Zorg fase 2 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000-2001, 23 619, nr. 18). Het spreekt vanzelf dat een standpunt over de huisartsenzorg niet los kan worden gezien van deze modernisering. De positie van de huisarts in relatie tot het basisverzekeringspakket komt aan de orde in de discussie over de stelselwijziging. Over de opvattingen van het kabinet over de stelselwijziging wordt u binnenkort geïnformeerd.

Bij het uitgangspunt dat de huisart vrije beroepsbeoefenaar is wil ik het volgende opmerken:
Met de commissie ben ik van mening dat de huisarts vanzelfsprekend vrij moet zijn in zijn professionele oordeelvorming en handelen. De aanduiding betekent voor mij echter geen voorkeur voor solistische praktijkuitoefening of vrij ondernemerschap. Integendeel. Huisartsen gaan meer en meer in groepsverband werken en steeds vaker werken ze ook samen met andere beroepsbeoefenaren. Er is een diversiteit aan manieren waarop de huisarts zich verbindt aan dergelijke samenwerkingsvormen, variërend van een situatie van deelname in een groepspraktijk (bijvoorbeeld een HOED) tot het aangaan van een dienstverband. De commissie wijst zelf reeds op deze veelvormigheid.

3. Maatregelen om de problemen het hoofd te bieden

4.1. Vergroten van de capaciteit
Anders dan de commissie ben ik van mening dat wel degelijk sprake is van een tekort aan huisartsen, en dat de op zichzelf terecht geconstateerde "mismatch" tussen vraag en aanbod slechts een deel van de schaarste aan huisartsen verklaart.
Al diverse keren heb ik met de Kamer over het capaciteitsprobleem in de huisartsenzorg gesproken. Wij hebben toen gezamenlijk geconstateerd dat het tekort aan huisartsen reëel is en dat in ieder geval een forse uitbreiding van de opleidingscapaciteit noodzakelijk is om dat tekort te kunnen opheffen. Ik heb middelen beschikbaar gesteld om de opleidingscapaciteit uit te breiden tot 670 plaatsen in 2004.
Wat betreft de opmerkingen van de commissie over de ramingsmodellen wijst ik op het door mij ingestelde Capaciteitsorgaan. Inmiddels zijn de eerste goede ramingen van het Capaciteitsorgaan ontvangen. Naarmate dit orgaan meer ervaring opdoet, zullen de ramingen steeds nauwkeuriger worden. Daarmee is aan het pleidooi van de commissie voor betere ramingsmodellen door mij reeds tegemoet gekomen.

4.2. Inhoud en organisatie van de huisartsenzorg
Het takenpaket van de huisartsen is de afgelopen jaren steeds omvangrijker geworden. Daardoor is geleidelijk aan de kerntaak van de huisarts: het leveren van medische, huisartsgeneeskundige zorg, steeds meer onder druk komen te staan. Dat dient te veranderen. De huisarts moet in staat zijn zich weer op die kerntaak te concentreren. Daarmee zijn het belang van de patiënt en de arbeidsvreugde van de huisarts gediend.
Daarvoor is een goede ondersteuning zowel in de eigen praktijk en/of organisatie zelf als op lokaal en regionaal niveau onontbeerlijk. Deze ondersteuning kan allereerst plaatsvinden in de eigen praktijk door praktijkverpleegkundigen. Voor het aanstellen van deze praktijkverpleegkundigen heb ik middelen beschikbaar gesteld. De introductie van de praktijkverpleegkundige verliep tot nu toe moeizaam omdat partijen over de financiering in de particuliere sector nog geen overeenstemming hebben bereikt. Een versnelling van de introductie van de praktijkverpleegkundige vind ik dan ook noodzakelijk. Ik ben dan ook verheugd dat partijen mij op 28 februari 2001 hebben bericht dat zij zich ertoe hebben verplicht om te streven naar een invulling van 38% (circa 900 praktijkverpleegkundigen) van deelnemende huisartsen per eind 2002. Wat mij betreft mag het ook sneller.
In de tweede plaats kan veel aan doelmatigheid gewonnen worden door een verbetering van de samenwerking met andere disciplines in de eerstelijn als de psycholoog, de maatschappelijk werker, de apotheker en fysiotherapeut. Op veel plaatsen in het land zie ik die hechte samenwerking met andere disciplines ook tot ontwikkeling komen, met als gevolg een snelle horizontale verwijzingsmogelijkheid.
Mijns inziens komt het gezondheidscentrum, met zijn mogelijkheden voor organisatorische en logistieke ondersteuning, het meest tegemoet aan deze noodzaak tot samenwerking. Ook allerlei andere zelfgekozen vormen van samenwerking maken echter voor de huisarts een "terugkeer" naar zijn kerntaken mogelijk.
Voorts draagt ook de komst van de dienstenstructuren voor de avond-, nacht- en weekenduren bij aan deze terugkeer naar kerntaken vanwege de ontlasting die zij voor de huisarts betekenen.

4.3. Avond-, nacht- en weekenddiensten
Van groot belang voor het verminderen van de werkdruk van de huisartsen is de totstandkoming van een landelijk dekkend geheel van diensten voor de zorg in de avond, nacht en weekenden. Een voorbeeld: wanneer in een dienstenstructuur 25 huisartsen samenwerken hoeft een huisarts gemiddeld maar 4% van de diensten te "draaien".
De tot voorheen gebruikelijke manier manier waarop huisartsen de bereikbaarheid en beschikbaarheid in de avond, nacht en weekenduren regelden, te weten via samenwerking in waarneemgroepen, wordt voor de huisarts steeds belastender mede gelet op de eisen die patiënten heden ten dage aan deze zorg stellen. Een beter op deze eisen ingestelde organisatievorm met bijbehorende financiering werden daardoor nodig.
Huisartsen gaan daarom meer en meer over tot oprichting van grootschalige diensten die de huisartsenzorg in de avond-, nacht- en weekenuren waarborgen. Daarmee wordt de kwaliteit, bereikbaarheid en continuïteit van deze zorg tegelijkertijd verbeterd.
Ik ondersteun deze ontwikkeling van harte en heb hiervoor structureel f. 150 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Inmiddels zijn forse vorderingen gemaakt: aan een aparte financieringssystematiek van de praktijkkosten van de avond-, nacht en weekenddiensten wordt hard gewerkt. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) die huisartsendienstenstructuren aanwijst als aparte organen op grond van de WTG is in procedure en zal met terugwerkende kracht in werking treden op 1 juli 2001. Deze amvb maakt het mogelijk tarieven vast te stellen voor de praktijkkosten die door de avond-, nacht- en weekenddiensten kunnen worden gedeclareerd, zodat de beschikbaarheid van deze diensten kan worden gefinancierd. Dit zullen punt-tarieven zijn, zodat - zoals ook de commissie van belang vindt - met individuele verschillen in de regionaal gemaakte afspraken rekening kan worden gehouden.
Op mijn verzoek zijn vooruitlopend op een formele regeling van de financiering, huisartsen en verzekeraars al eerder gestart met het oprichten van ANW-diensten. De daadwerkelijke oprichting ervan is dan ook al ver gevorderd: uit gegevens die ZN mij heeft verstrekt, blijkt dat zij al in meer dan 80% van het land operationeel zijn.
Tevens hebben partijen op mijn aandrang in april jl. samen met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) regionale afspraken gemaakt over acute opnamemogelijkheden vanuit de eerstelijn. Ook dit ontlast de huisarts. De Kamer is hierover schriftelijk bericht.

4.4. Sturing en verantwoordelijkheden
De aanbevelingen van de commissie over de wijze van sturing van de huisartsenzorg en de verdeling van verantwoordelijkheden over de partijen passen goed in het beleid zoals dat is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Curatieve Zorg fase 2. Daarin staan gereguleerde marktwerking en vraagsturing centraal. Daarbij treedt de overheid meer op afstand en nemen partijen hun eigen verantwoordelijkheden. In het bijzonder betekent dit dat er meer ruimte komt voor differentiatie en lokaal gebonden oplossingen die tegemoet komen aan de uitgesproken behoeften van de (samenwerkende) huisartsen en verzekeraars om daar afspraken over te maken. Het bieden van maatwerk wordt hierdoor mogelijk.

5. Financiering

5.1. Uitgangspunten
De voorstellen die de commissie doet voor vernieuwing van het financieringssysteem van de huisartsenzorg neem ik op hoofdlijnen over. Dat betekent dat ik de volgende uitgangspunten voor een vernieuwd financieringssysteem wil hanteren:
- De huisarts ontvangt loon naar werken en naar prestatie.
- De financieringssystematiek biedt ruimte voor differentiatie.
- Ze bevat prikkels die gewenst gedrag stimuleren (bijvoorbeeld gebruik van informatie-en communicatietechnologie en Elecronisch Voorschrijf Systeem, preventieve activiteiten).
- Het systeem is transparant en eenvoudig.
- Er dient een eenvormige tariefstructuur te komen.

5.2. Het financieringssysteem
De kern van het voorstel van de commissie betekent een scheiding van praktijkkosten (box 1) en inkomen (box 2).
Omdat dit voorstel goed past in mijn uitgangspunten neem ik het in beginsel over. Met deze scheiding wordt de huidige vermenging van praktijkkosten en inkomen, die niet transparant is en voor veel problemen heeft gezorgd, beëindigd.
Scheiding van inkomen en praktijkkosten en het mogelijk maken van lokale en regionale differentiatie stimuleren een aantal wenselijk ontwikkelingen en vormen ook naar het oordeel van partijen tegelijkertijd een oplossing voor een aantal problemen die verbonden zijn aan de huidige systematiek. Ook doet ze recht aan de verantwoordelijkheden van de partijen zoals het kabinet die in een meer vraaggestuurde zorg beoogt. Ik ben van plan om over deze scheiding van inkomen en praktijkkosten op basis van overleg met LHV en ZN een uitvoeringstoets te vragen aan het CTG.
Die periode wil ik tevens benutten om meer zicht te krijgen op mogelijke problemen die kunnen optreden bij de invoering van een dergelijk systeem en hoe die zijn op te lossen.

De uitwerking die de commissie geeft aan box 2 (een scheiding in een vast en een variabel inkomensdeel) ben ik nader op zijn consequenties aan het bestuderen. Er zijn ook andere varianten mogelijk, bijvoorbeeld in analogie met de specialistenhonorering (uurhonorarium). Ik voer hierover nog overleg met partijen. In mijn uitgewerkte standpunt kom ik hier op terug.

Praktijkplan
Dat als basis voor de onderhandeling tussen huisartsvoorziening/huisarts en verzekeraar een praktijkplan beschikbaar moet zijn zoals de commissie voorstelt spreekt mij aan. Partijen zullen dit zelf ter hand moeten nemen. Zij zullen immers deze informatie nodig hebben voor een goed verloop van de onderhandelingen.

5.3. Randvoorwaarden
Een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle vernieuwing van het financieringssysteem vormt het opnieuw omschrijven van het takenpakket van de huisarts. Ik ben met de commissie van mening dat er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de diensten en prestaties die de huisarts dient te verrichten en wat daarvan de prijs moet zijn.
Huisartsen en verzekeraars dienen daarom te komen tot een heldere omschrijving van die diensten en prestaties, welke daarvan tot het kernpakket behoren en welke niet en wat de prijs daarvan moet zijn.
De realisering hiervan vormt een belangrijk onderdeel van het project "producttypering eerstelijn" uit het programma Modernisering Curatieve Zorg.

6. Verdere aanpak
Deze brief bevat mijn standpunt op hoofdlijnen. Het bovengenoemde overleg met partijen zal nog enige tijd vergen. Vervolgens zal ik de Kamer na discussie in het kabinet een meer uitgewerkt standpunt toezenden, waarin ik ook dieper in ga op de concrete stappen die mij voor ogen staan, hoe de verantwoordelijkheidsverdeling over de betrokken partijen is en hoe ik de implementatie wil bewaken. Naar ik thans verwacht kan de Kamer dit kabinetsstandpunt na het zomerreces tegemoet zien.

Ik ben er van overtuigd dat met een gezamenlijke inzet en de genoemde maatregelen het mogelijk is het elan in de huisartsenzorg weer te versterken, zodat de huisarts zijn belangrijke rol als spil in de zorg kan blijven vervullen en patiënten zich verzekerd weten van de beschikbaarheid en continuïteit van zijn zorg.

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


Contracteren en behoud van zorgaanbod

dinsdag 26 juni 2001
Beste collega's

De kwaliteiten die nodig zijn om op een deskundige en bevlogen wijze huisartsengeneeskunde te beoefenen en die welke een verantwoorde financieel-economische bedrijfsvoering mogelijk maken kunnen wij niet in ons verenigen.

Dit hebben we altijd geloochend door tegen heug en meug onze belangen toe te vertrouwen aan in deeltijd werkende amateurs in plaats van aan goedbetaalde professionals uit de verschillende relevante vakgebieden.

Onverkort bleven we geloven dat taakuitbreiding zowel in de breedte als in de diepte met de daarbij horende taakverzwaring en kostenstijgingen zouden worden gecompenseerd door middel van inkomensverhoging en aanpassing van onkostenvergoeding.

Vage toezeggingen waarvan de meeste al museale waarde hebben zonder ooit te zijn geëffectueerd werden dankbaar aangegrepen om stijgende onlustgevoelens in de kiem te smoren.

Gespeend van enig zakelijk inzicht doken we als hongerige wolven op zorgvernieuwing, zorgverplaatsing, transmuralisering, verpleeghuissubstitutie, preventief werk, tijdrovende protocollen, onbetaalde verrichtingen uit het aanvullend pakket enz. enz.

Direct beginnen, niet zeuren over randvoorwaarden was het motto: het patiëntenbelang werd er immers mee gediend?

Capaciteits- en financieringsproblemen van andere sectoren werden zonder enig overleg op ons afgewenteld.

De ene na de andere ongunstige beleidsmaatregel rolde over ons heen en we lieten ons als schapen naar de slachtbank leiden: het bestuur in Utrecht distantieerde zich nadrukkelijk van collega's die het geniep doorzagen en in actie kwamen.

Zo zitten we dan nu met een stuwmeer van onaanvaardbare ontwikkelingen en een D.B. dat zich in allerlei bochten wringt om de zaak onder controle te houden maar steeds meer inboet aan geloofwaardigheid.

Verbaal komt het allemaal krijgshaftig over maar de onderhandelingsresultaten zijn bedroevend slecht: zelfs het bedrag achter de komma krijgen we niet binnen.

Waarom ging het allemaal mis na de toch wel duidelijke besluitvorming in de A.L.V.?

Hebben we professionele onderhandelaars ingezet?

Waren er duidelijk geformuleerde en goed onderbouwde doelstellingen?

Bestond er consensus over minimaal te realiseren onderhandelingsresultaten?

Was er een transparant stappenplan waarlangs het onderhandelingsproces zou verlopen? Was er een goed schema met betrekking tot het inzetten van dwangmiddelen?

Was het traject juridisch goed dichtgetimmerd?

Werd de achterban voldoende geïnformeerd en betrokken bij de besluitvorming?

Het nu accepteren van de 250 miljoen is het aller-allerbelabbertste wat we kunnen doen: we hebben dan geen enkele onderhandelingspositie meer en de collega's, inclusief bestuursleden die werkelijk nog geloven dat op aanvaardbare termijn andere zaken zullen worden rechtgetrokken hebben weinig lering getrokken uit de gebeurtenissen van de afgelopen decennia en blijven volharden in een uiterst naïef droomscenario.

Want wij kunnen wel uitgaan van de rechtvaardigheid van onze aanvullende eisen maar het publiek en de politiek hebben daar een heel andere opvatting over: 70 miljoen geboden, en uiteindelijk na een geweldige verhoging tot 250 miljoen aanvaard en nu weer beginnen te zeuren over nog meer: jongens, nou moeten jullie toch echt even ophouden.

Reken maar dat het spelletje zo gespeeld gaat worden.

En de pershyena's zullen zich eveneens massaal tegen ons keren.

De gemiddelde Nederlander is veel minder goed op de hoogte van de achtergrond van onze eisen dan wij denken en hopen.

Nu afblazen van acties nadat het bestuur gefaald heeft de door de A.L.V. geformuleerde eisen te concretiseren en er vervolgens weer mee beginnen nadat uiteindelijk tot iedereen is doorgedrongen dat we opnieuw bij de poot genomen zijn is praktisch onmogelijk.

De enige manier om nog te redden wat er te redden valt is het afblazen van het D.B. voorstel.

Wanneer het bestuur daarop besluit terug te treden dan zij het zo: de chaos die daarop ontstaat kan op zichzelf best gunstig uitpakken: wanneer in één jaar tijd 2 besturen naar huis worden gestuurd is het andermaal duidelijk dat het echt bloed- en bloedserieus is, dat we vastbesloten zijn schoon schip te maken en geen genoegen nemen met iets anders dan het oplossen van alle knelpunten in één keer.

En dan moet de ene actie over de andere heen gaan rollen: laat ze maar dreigen met de meest afgrijselijke procedures, dat is allemaal leuk en aardig en wettelijk hebben ze waarschijnlijk het gelijk aan hun kant maar: we doen het gewoon niet meer!

Vergeet in godsnaam niet dat we een ijzersterke positie hebben: de huisarts is voor de Nederlandse gezondheidszorg onmisbaar en tevens onvervangbaar, VWS en ZN weten dat beter dan wie ook.

En reken maar dat er dan veel meer mogelijk blijkt dan we nu durven hopen.

En waar praten we nu eigenlijk over: een premieverhoging van 150 gulden per Nederlander levert al een bedrag waar wij mee uit de brand zijn: 2,7 miljard.

En wat is dat nu voor een gesmeerd lopende huisartsengeneeskunde, niemand hoeft daar over te piepen: de bevolking heeft al decennia voor een prikje op de eerste rang gezeten.

Daarnaast moet dan gezorgd worden voor een professioneel bestuur dat is opgebouwd uit vertegenwoordigers uit de relevante vakgebieden dat geen ad hoc beslissingen meer neemt buiten de A.L.V. om zonder dat daar een duidelijke visie aan ten grondslag ligt.

En natuurlijk ook geen persberichten meer laat uitgaan zonder (een vertegenwoordiging van) de afgevaardigden te hebben gepolst of daar draagvlak voor is.

Deze bestuurders mogen aan de andere kant niet zijn verkokerd in hun discipline en moeten een duidelijke affiniteit met ons vakgebied hebben: anders zou het afbreukrisico te groot zijn.

Aanvaardt het bestuur een negatieve beslissing van de A.L.V. dan zal ondersteuning vanuit de ledenraad nodig zijn om het vertrouwen te herstellen, vergeet niet dat het huidige financiële rampenscenario van de huisartsen een gezamenlijke verantwoordelijkheid van afgevaardigden en bestuur is.

Marinus 't Hart