Inloggen

sluiten
Gebruikersnaam
Wachtwoord
wachtwoord vergeten?
onthoud mij
Nog geen lid?
Klik hier om u te registreren

Wachtwoord opvragen

sluiten
Vul hieronder uw e-mailadres of gebruikersnaam in en
wij zenden u een nieuw wachtwoord toe.
Nog geen lid?
Klik hier om u te registreren
Home » Nieuws » ICT » Eerste kamer; voorlopig verslag EPD


Tag cloud

Eerste kamer; voorlopig verslag EPD

ICT
Geplaatst op donderdag 21 mei 2009 reacties 5 reacties printen print

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Eerste kamer; voorlopig verslag EPD


Inleiding
De commissie wenst de regering een vraag voor te leggen naar aanleiding van een onlangs van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) ontvangen brief.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgestelde wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (hierna: Wbsn-z) in verband met de elektronische informatie uitwisseling in de zorg. Deze leden zijn een voorstander van een wet die het elektronisch patiëntendossier (hierna: EPD) stapsgewijs invoert in Nederland teneinde de optimalisering van de beschikbaarheid van relevante medische gegevens van patiënten ten behoeve van geregistreerde
medische zorgverleners te bewerkstelligen en teneinde zoveel mogelijk
medische missers te voorkomen. Deze leden achten het van belang dat de
patiënt delen van het dossier kan afschermen die hij niet aan andere zorgverleners
dan zijn huisarts wil tonen, en dat de toegang tot het EPD uitdrukkelijk
is beperkt tot zorgverleners die als beroepsbeoefenaars in de zin van
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet
BIG) zijn gekwalificeerd. Evenwel hebben de leden van de CDA-fractie nog
een aantal vragen en wensen zij opheldering over onduidelijkheden met
betrekking tot de uitwerking van het wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben om principiële redenen grote
bezwaren tegen het wetsvoorstel, en stellen dat zij in principe tegen het
wetsvoorstel zijn. Wel vinden deze leden in het wetsvoorstel aanleiding
om op punten overwegingen met de regering te delen, waarop zij commentaar
verzoeken, en geven zij aan dat zij bereid zijn mee te denken over
een zeer beperkt algemeen dossier voor specifieke groepen patiënten,
zoals diabetici, mensen met cardio-vasculaire aandoeningen en wellicht
nog enkele.
1 Samenstelling:
Werner (CDA), Van den Berg (SGP), Dupuis
(VVD), (vice-voorzitter), Rosenthal (VVD),
Swenker (VVD), Tan (PvdA), Van de Beeten
(CDA), Slagter-Roukema (SP), (voorzitter),
Linthorst (PvdA), Biermans (VVD), Putters
(PvdA), Leijnse (PvdA), Engels (D66), Thissen
(GL), Goyert (CDA), Peters (SP), Quik-Schuijt
(SP), Klein Breteler (CDA), Huijbregts-
Schiedon (VVD), Laurier (GL), Ten Horn (SP),
Meurs (PvdA), Leunissen (CDA), De Vries-
Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD), Kuiper
(CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), De Boer (CU)
en Yildirim (Fractie-Yildirim)

’s-Gravenhage 2009 Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 1
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling, maar ook met
bezorgdheid kennis genomen van het wetsvoorstel. Ook na de behandeling
in de Tweede Kamer, resulterend in een aantal door de PvdA-fractie in
de Eerste Kamer nadrukkelijk onderschreven amendementen en moties,
blijven naar hun mening indringende vragen aan de orde waarop een
reactie van de regering met extra belangstelling tegemoet wordt gezien.
De discussie die binnen en buiten het parlement ook na de aanvaarding
van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is doorgegaan, heeft de leden
van de SP-fractie gesterkt in de mening met een onvoldragen, onvoldoende
doordacht wetsvoorstel van doen te hebben. Zij hopen dat door
het stellen van vragen over het wetsvoorstel de onzekerheid over de juistheid
van het wetsvoorstel zal worden weggenomen en gaan daarbij uit
van de stelregel: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
Met belangstelling hebben de leden van de fracties van de SGP en de
ChristenUnie kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij waarderen de
voordelen voor de patiënt, zoals de verbetering van de kwaliteit en de
effectiviteit van de zorg, positief, omdat het mogelijk wordt een betere
communicatie tussen zorgverleners tot stand te brengen, waardoor veel
opnamen in ziekenhuizen als gevolg van bijwerkingen van geneesmiddelen,
voorkomen kunnen worden. Niettemin resteren er bij de leden van
deze fracties nog vragen.
Ook de leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis
genomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn op voorhand geen tegenstander
van de invoering van een landelijk EPD, maar zijn bezorgd over de
beveiliging en toegang van het EPD en de wijze van instemming van de
patiënt ten aanzien van het gebruik van het EPD.
Vraag van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport /
Jeugd en Gezin
Onlangs heeft de commissie een brief ontvangen van de KNMG (brief van
17 april 2009 met commentaar van de KNMG ten behoeve van de behandeling
in de Eerste Kamer van de wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer
in de zorg in verband met de elektronische informatieuitwisseling
in de zorg (31 466), referentie LWi/09–12609).
Deze brief heeft de reeds bij de commissie levende zorgen over de
uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel verder doen toenemen.
De KNMG geeft aan, de huidige wijze van ontwikkeling en invoering onuitvoerbaar
te vinden en heeft daarom een aantal kanttekeningen gemaakt
bij de tekst en de strekking van het wetsvoorstel.
De commissie verzoekt de regering een reactie te geven op de in de
KNMG-brief genoemde kanttekeningen, die zowel beleidsmatig als juridisch
van aard zijn, en vervolgens in te gaan op de reeks detailvragen die
is opgenomen in de bijlagen bij de genoemde brief.
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen en zij wensen
graag opheldering over onduidelijkheden met betrekking tot de uitwerking
van het wetsvoorstel.
Hoewel het landelijk EPD alleen een voorziening is waarmee bestaande
EPD’s met elkaar op landelijk niveau kunnen worden verbonden en de
zorgverleners via een vastgelegde procedure relevante medische
patiëntengegevens kunnen opvragen, blijkt de invoering van het EPD in
de praktijk niet zo gemakkelijk. Dit komt overeen met de ervaringen in het
buitenland. De vraag is echter of er een kloof is tussen wens en werkelijk-
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 2
heid ten aanzien van de invoering van het EPD en ten aanzien van het
niveau van de gestelde ambities.
Weliswaar is er – terecht – gekozen voor een gefaseerde invoering om de
veiligheid en betrouwbaarheid van het systeem te kunnen borgen en
tekortkomingen te kunnen verbeteren, doch de gekozen regie bij de invoering
van een EPD lijkt niet aan te sluiten op de complexiteit van de problematiek.
Nu is er gekozen voor een «engineering approach» (doel, tijdpad
en budget), alsof het om een technisch probleem zou gaan. De invoering
van het EPD is complexer. Het EPD moet naadloos aansluiten bij het
werken en denken van de arts. Dit betekent veel overleggen, aanpassen,
uitproberen, weer overleggen en aanpassen enz. Het is zoeken naar een
match tussen technologie en gebruiker. Een klassieke ICT-projectmanager
kan hier moeilijk mee overweg. Er zijn experts nodig met één voet in de
zorg en één voet in de ICT. De leden van deze fractie vragen of niet het
gevaar bestaat dat het EPD te zeer «ICT-driven» is.
Het zal de regering bekend zijn, dat er in EPD projecten automatiseerders
en artsen met elkaar aan tafel zitten, maar zij spreken niet dezelfde taal.
Aan beide kanten van de tafel ontwikkelen zich dan verschillende
verwachtingen, waaraan uiteindelijk niet wordt voldaan. Bovendien
bestaan er reeds locale en regionale systemen waarin gegevens van ruim
7 miljoen patiënten zijn opgenomen. Deze EPD’s zijn sterk gericht op de
inhoud. Een verdere ontwikkeling van deze bottom-up benadering zou het
EPD zeer ten goede komen, met name wanneer deze landelijk gekoppeld
zouden kunnen worden. Bij de opzet van het huidige landelijke systeem
wordt daar nauwelijks aandacht aan besteed. Deze leden vragen of het
niet in de rede ligt dat de huidige top-down benadering bijstelling behoeft.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af of men in de EPD projecten
wel voldoende gebruik maakt van de wetenschappelijke kennis die
aanwezig is met betrekking tot inhoud en structuur van het EPD. Zoals uit
de literatuur blijkt moet de arts op een eenvoudige manier, de patiëntengegevens
inhoudelijk juist en soms genuanceerd kunnen weergeven.
Hierbij moet in de spreekkamer het arts-patiënt contact toch optimaal
blijven. De patiënt is niet geholpen met een arts die meer aandacht heeft
voor het scherm en minder voor een direct persoonlijk contact. Het komt
de aan het woord zijnde leden voor dat het accent nu teveel ligt op een
snelle invoering van het EPD met veronachtzaming van het directe contact
tussen patiënt en zorgverlener. Wordt er trouwens ook wel in voldoende
mate gebruik gemaakt van de evaluatiegegevens van afgeronde projecten,
waarin gebrek aan flexibiliteit en slechte communicatie belangrijke
oorzaken van mislukking bleken te zijn?
De zorg speelt zich voornamelijk loco-regionaal af en slechts incidenteel is
er een noodzaak voor een landelijke beschikbaarheid van de gegevens
(alleen in acute gevallen). De wet is uitsluitend ontworpen voor de landelijke
uitwisseling van gegevens via het Landelijk Schakelpunt (LSP).
Hiermee wordt voorbij gegaan aan de vele bestaande regionale systemen
van gegevensuitwisseling (zie hierboven). De wet als sturingsinstrument
voor de toepassing van landelijke standaarden zou toch ook moeten
gelden voor regionale systemen om deze daarmee op korte termijn te
laten voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot kwaliteit, veiligheid
en privacy. Hiermee kunnen deze systemen, die voor de zorgpraktijk
van grote waarde zijn, functioneren binnen het kader van het landelijke
EPD. Staat de regering een dergelijke aanpak voor ogen en zo nee,
waarom niet?
Heeft een arts, die een patiënt behandelt in een acute situatie werkelijk
behoefte aan het volledige patiëntendossier, of volstaan de belangrijkste
relevante medische gegevens die door de hoofdbehandelaar in overleg
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 3
met de patiënt up to date gehouden worden? Dit zou ook eventuele
problemen kunnen oplossen, die gekoppeld zijn aan de mogelijkheid die
de patiënt in de wet heeft met betrekking tot het afschermen van gegevens.
Het ontbreken van relevante gegevens in het dossier kan bij een
behandeling van een patiënt riskant zijn. Zou het niet wenselijk zijn, zo
vragen deze leden, dat de hoofdbehandelaar en de patiënt gezamenlijk
kunnen besluiten tot een continue update van een «Personal Health
Record»?
Het komt de leden van de CDA-fractie voor, dat één generiek EPD niet zal
volstaan, om tot een adequate dossiervorming te komen. Afhankelijk van
de specialismen, waarmee de patiënt in contact komt, zullen addenda
moeten worden toegevoegd door de betreffende medebehandelaar. De
samenvattende medische brief van de medebehandelaar zou door de
hoofdbehandelaar in het hoofddossier van de patiënt moeten worden
opgenomen. Het «Personal Health Record» van de patiënt zou als zodanig
kunnen functioneren. Deze leden vragen of een dergelijke benadering in
het kader van het huidige wetsvoorstel te realiseren is.
Het inzagerecht van de patiënt heeft betrekking op het hele dossier. Dat
betekent, dat hij ook zal kunnen kennisnemen van de persoonlijke aantekeningen
van de behandelaar, waaronder bijvoorbeeld veronderstellingen
voor mogelijke diagnoses of de veronderstelling dat door verstrekking van
de betreffende gegevens de persoonlijke levenssfeer van een ander zal
worden geschaad (vergelijk artikel 7:457 BW). Aangezien dergelijke gegevens
«niet hard» zijn, zal het niet in alle gevallen in het belang van de
patiënt zijn deze gegevens te vernemen, hoewel de registratie daarvan
voor de zorgverlener toch van belang is. Leidt het in het wetsvoorstel
beschreven systeem er dan niet toe, dat de zorgaanbieders met schaduwdossiers
zullen gaan werken? Acht de regering dit een goede ontwikkeling?
De zorgaanbieder dient de patiënt te wijzen op de mogelijkheid bezwaar te
maken tegen de verwerking van zijn gegevens overeenkomstig artikel 13 g
lid 2 jo. artikel 13 f, lid 2 sub b. Kan dit bezwaar alleen worden gemaakt
tegen de verwerking van alle gegevens of is het ook mogelijk een gedifferentieerd
bezwaar te maken, dat wil zeggen dat de patiënt de verwerking
van bepaalde gegevens wel en van andere niet toestaat? Bovendien als
een bezwaar tegen een verwerking in het landelijk EPD-systeem wordt
gemaakt, mogen de gegevens in een locaal EPD dan wel worden
verwerkt?
Hoe is in dit verband de situatie van de 450 000 weigeraars, die naar
aanleiding van de bekende brief van de minister van VWS bezwaar
hebben aangetekend tegen de verwerking van «hun» gegevens in het
EPD? Geldt dit bezwaar alleen ten aanzien van het nog tot stand te
brengen landelijk EPD of ook ten aanzien van de reeds in gebruik zijnde
regionale/locale EPD’s?
De leden van de CDA-fractie koppelen hier de vraag aan vast of er geen
aanleiding is de «weigeraars» te bevragen naar hun beweegredenen.
Deze leden vernemen ook graag van de regering waarom in deze brief van
de minister van VWS de mogelijkheid is opengesteld bezwaar te maken
(een opt-out constructie), terwijl de WGBO toch uitdrukkelijk uitgaat van
de toestemming van de patiënt (opt-in constructie). Het aan de orde zijnde
wetsvoorstel lijkt wel met het laatste in overeenstemming te zijn.
De leden van de CDA-fractie achten het van belang dat – zoals bij grote
ICTprojecten gebruikelijk is – van tijd tot tijd een audit plaatsvindt om de
juiste gang van zaken bij de verwerking van de gegevens in het EPD te
controleren. Zal bij de opzet van het onderhavige grootschalige
ICT-project eenzelfde gedragslijn worden gevolgd, en zo ja, welke instantie
is het meest aangewezen om dergelijke audits uit te voeren? Of wordt er
op andere wijze in het toezicht op de werking van het EPD voorzien?
Deze leden hebben geconstateerd, dat uit de parlementaire stukken niet
blijkt, dat aan het LSP rechtspersoonlijkheid wordt toegekend. Verdient
het niet de voorkeur om daar toch wel in te voorzien, al was het maar in
verband met eventuele aansprakelijkheidskwesties?
Met betrekking tot de verwerking van de gegevens geven de WBP en de
WGBO in eerste instantie het normatieve kader aan, zodat het voldoen
aan de bepalingen van deze wetten een noodzakelijke voorwaarde is voor
het gebruik van het EPD.
Nu blijkt uit het wetsvoorstel niet wie de verantwoordelijke is in de zin van
artikel 1 sub d WBP waar het de activiteiten van het LSP betreft. De
logging van het LSP zal toch in ieder geval ook aan het toezicht van het
CBP moeten worden onderworpen. Gaarne vernemen deze leden hoe aan
de hier bedoelde eisen zal worden voldaan.
Het LSP neemt een kwetsbare positie in uit een oogpunt van beveiliging.
De minister heeft toegezegd daarom ook een hackproef toe te staan. Voor
het gebruik van het EPD is vertrouwen bij patiënten en zorgaanbieders
een noodzakelijke voorwaarde. Wil de regering daarom nog eens aangeven,
dat de beveiliging van het LSP en van de communicatie tussen LSP
en zorgaanbieders aan de hoogste eisen zal voldoen?
In verband met het amendement over het expliciet verbod op toegang tot
LSP en EPD voor zorgverzekeraars (Kamerstuk 31 466, nr.49) is er door de
minister op gewezen dat het feit dat er zonder expliciet verbod al voldoende
beperkende regels zijn, mogelijk strijdig is met de Europese richtlijnen
inzake het uitoefenen van het verzekeringsbedrijf. Het opzegrecht in het
amendement beperkt namelijk de vrijheid van zorgverzekeraars en aanvullende
ziektekostenverzekeraars om zelf hun polissen vorm te geven. Dit
kan Europeesrechtelijk worden gezien als inbreuk op de vrijheid van
verzekeraars. Hoe is het standpunt van de regering ten aanzien van deze
problematiek?
Het blijkt, dat de bekostiging in de praktijk nog problemen oplevert. Met
name de problematiek met betrekking tot de vergoeding voor het extra
werk dat huisartsen moeten verrichten lijkt nog niet te zijn opgelost. Hoe
denkt de regering hierin te voorzien?
Aan CBP en IGZ worden met betrekking tot het EPD toezichthoudende
taken toebedeeld. Hoe is de onderlinge verhouding daaromtrent c.q. is er
een werkverdeling, die beide instanties voldoende mogelijkheden geeft de
hen toevertrouwde taken te vervullen?
VVD-fractie
De eerste en meest belangrijke vraag bij elk wetsvoorstel is volgens de
leden van de VVD-fractie welk probleem met dit wetsvoorstel moet
worden opgelost.
Volgens de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is een EPD een
belangrijke voorwaarde voor verantwoorde zorg en zorg van goede kwaliteit.
Ook de doelmatigheid van de gezondheidszorg zou met een EPD
worden verbeterd. Hierom is een EPD wenselijk, «waarmee de zorgaanbieders
van de patiënt 24 uur per dag overal in het land medische
persoonsgegevens kunnen uitwisselen» (memorie van toelichting, blz. 5).
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 5
Aan de juistheid van dit uitgangspunt moet ernstig worden getwijfeld. De
leden van de VVD-fractie leggen de regering graag de volgende overwegingen
voor, en verzoeken om commentaar daarop.
1. De minister heeft een onjuist beeld van de manier waarop geneeskundige
zorg functioneert. Het is niet zo dat het vastleggen van alle relevante
(en wat zijn dat trouwens) gegevens over een patiënt op zich
diens welzijn bevordert. Veel klachten van mensen staan betrekkelijk
los van elkaar. (Over de uitzonderingen hierna). Dit betekent dat artsen
in het algemeen niet diep in de statussen van patiënten duiken als die
zich melden op een spreekuur. Artsen plegen in het algemeen meer
naar de patiënt te kijken zoals die zich aandient, en niet meteen alles er
bij te halen. Voor de meeste klachten is dat niet nodig en niet ter zake.
De meeste klachten komen voorts terecht bij de eigen huisarts. Daarvoor
is geen EPD nodig; vaak zijn er wel redelijk functionerende eigen
dossiers of regionale dossiers. De gedachte dat een volledig medisch
dossier van alle Nederlanders, in diens belang zou zijn, berust op een
onjuist mensbeeld en een onjuiste visie op de betekenis van gezondheidszorg.
De meeste mensen hebben geen grote kwalen, maar kleine
ongemakken. Hoogstens zou men van een aantal hoogbejaarden die
veel medische zorg nodig hebben (dit is minder dan een kwart) kunnen
stellen dat er extra aandacht nodig is voor hun medicatie. Hiervoor is
geen EPD nodig. Een mens is bovendien veel meer dan een dossier;
het is een blijk van hubris en overmatig vertrouwen in medische zorg,
om een potentiële patiënt geheel medisch in kaart gebracht te willen
hebben. De beroepsgroep wil dit niet, de patiënten willen dit niet en de
overheid moet het zeker niet willen.
2. Een EPD zou alleen nuttig zijn voor de schaarse situaties waarin
mensen zich op andere plaatsen in het land aanbieden met klachten,
dus bij een spoedprobleem. Dit zal meestal betekenen dat een vorm
van eerste hulp wordt gegeven (pijnstilling, kleine traumatologie),
meestal ook onder druk van tijd. Er zal niet naar andere gegevens
kunnen worden gekeken. Patiënten krijgen meestal de opdracht om zo
snel mogelijk naar hun eigen huisarts te gaan. Bij grote trauma’s na
ongelukken ligt dit anders.
3. Mensen met bekende ernstige allergieën (voor jodium, voor bepaalde
antibiotica etc.) weten dit meestal zelf heel goed. Het kan een enkele
keer voorkomen dat er met spoed behoefte is aan informatie, bijvoorbeeld
vanwege ernstig letsel, voor spoedoperaties, bloedtransfusie etc.
Het is zeer de vraag of een EPD dan werkt, of dat het beter is om telefonisch
met de huisarts van de patiënt of de waarnemer contact op te
nemen. Het gaat hier bovendien maar om een klein aantal casus per
jaar. Graag commentaar van de regering op deze opmerkingen. Ook
willen de leden van de VVD-fractie graag weten in hoeveel gevallen
per jaar een patiënt groot risico loopt vanwege een gebrek aan de
informatie, zoals die uiteindelijk via het EPD verkrijgbaar moet zijn.
4. Er is uiteraard een groep chronisch zieken, die mobiel is (bij afwezigheid
van mobiliteit is een EPD niet aan de orde). Deze zijn vaak zeer
goed op de hoogte van hun medische status. Zij kunnen veelal zelf
voldoende informatie aandragen in geval van een spoedconsult buiten
hun woonplaats.
Al met al roepen deze overwegingen de vraag op of het wel juist is als de
regering stelt dat een EPD leidt tot meer verantwoorde zorg. De leden van
de VVD-fractie merken op dat de arts en patiënt samen verantwoordelijk
zijn voor die zorg, maar dat het EPD daarin nauwelijks een rol speelt. Een
regionaal registratiesysteem van hoofdlijnen van medisch relevante gegevens
lijkt overigens wel een rol te kunnen spelen, bijvoorbeeld in geval
van het gebruik van vele farmaka. Maar ondanks soms redelijk goed functionerende
regionale EPD’s blijkt onjuiste multimedicatie toch plaats te
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 6
vinden, soms tot schade van de patiënt. Het is veeleer de attitude van de
arts die hier bepalend is en zeker niet de aanwezigheid van een landelijk
EPD.
Er is dus – het zij nogmaals gezegd – veel af te dingen op het belang van
de patiënt bij een landelijk EPD.
Tegenover de twijfelachtige voordelen staan grote nadelen. Veel hiervan
zijn door de Tweede Kamer uitvoerig benoemd en besproken. Uiteraard
gaat het vooral om de veiligheid van het systeem. Die is tot nu toe niet
bewezen. In tegendeel; er is aangetoond dat een EPD bijna niet te beveiligen
is, omdat er theoretisch tienduizenden artsen gebruik van zouden
moeten kunnen maken. De aangetoonde onveiligheid van het systeem ligt
dus in de weegschaal met zeer twijfelachtige of zelfs non-existente voordelen.
De balans valt voor de leden van de VVD-fractie negatief uit.
In principe zijn deze leden tegen dit wetsvoorstel. Zij zouden wel mee
willen denken over een zeer beperkt algemeen dossier voor specifieke
groepen patiënten, zoals diabetici, mensen met cardiovasculaire aandoeningen
en wellicht nog een enkele.
Vragen over de veiligheid en over de visie van de regering op het feitelijk
tot stand brengen van een EPD, het organiseren van de toegang, het recht
van patiënten tot inzage en tot vernietiging van gegevens die men niet in
het dossier wenst, zijn al door velen gesteld.
Deze leden delen de zorg die daaruit spreekt.
Zij willen er ook op wijzen dat ten aanzien van het probleem van de
privacy van burgers, het steeds meer duidelijk wordt dat de overheid
hierbij zelf een groot deel van het probleem vormt. Dit wordt opnieuw
bevestigd door de manier waarop de regering nu het EPD wil invoeren.
Tenslotte wijzen deze leden op het feit dat in geen ander land een EPD
behoorlijk functioneert. Iedereen tobt er nog mee. Waarom denkt de
Nederlandse regering dat het hier wel goed kan lopen?
Om principiële redenen hebben de leden van de VVD-fractie grote
bezwaren. Zoals reeds opgemerkt zouden zij wel mee willen denken over
een zeer beperkt algemeen dossier voor specifieke groepen patiënten,
zoals diabetici, mensen met cardiovasculaire aandoeningen en wellicht
nog een enkele.
PvdA-fractie
Allereerst hebben de leden van de PvdA-fractie kanttekeningen bij de
wettelijke vormgeving van dit voorstel. De Raad van State gaf op diverse
onderdelen aan regeling bij wet te verkiezen boven delegatie in de vorm
van een algemene maatregel van bestuur. Ondanks het niets aan duidelijkheid
te wensen overlatende dictum van het Raad van State advies heeft
de regering slechts op enkele overige onderdelen het advies overgenomen.
Bij de behandeling in de Tweede Kamer werd het amendement
Vermeij/Omtzigt (31 466, nr. 18) met algemene stemmen aangenomen,
waarmee de algemene maatregelen van bestuur met betrekking tot de
invoering en inrichting van het EPD een zware nahang krijgen in beide
Kamers. De minister gaf tijdens het debat aan begrepen te hebben
daarmee nieuw staatsrecht te schrijven. Kan de regering dan vervolgens
aangeven welke procedure bij dit betrekkelijk nieuwe fenomeen «zware
nahang» gevolgd zal worden? Valt deze procedure onder de noemer
«voorwaardelijke delegatie» en wat zijn daarvan de gevolgen? Het betreft
dan bijvoorbeeld kwesties als: op welk moment in het traject vindt raadpleging
van de Raad van State plaats, hebben de Kamers naast recht van
amendement – ook voor de Eerste Kamer – de mogelijkheden op onderdelen
een wettelijke status te verlangen? Welke is de visie van de regering
op deze gang van zaken: is zij voornemens toekomstige majeure regelingen
wederom via de kaderwet-constructie vorm te geven en op welke
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 7
wijze dient naar de huidige inzichten van de regering de procedure voor
het vastleggen van nadere regelgeving te zijn vormgegeven? Met andere
woorden: denkt de regering hiermee een toekomstige structurele werkwijze
te ontwikkelingen? Zoals bekend vinden momenteel op grote schaal
discussies met het veld plaats ter voorbereiding van een veelomvattende
ambitieuze Wet cliëntenrechten zorg. Daarmee wordt beoogd te komen tot
grotere samenhang in en overzichtelijkheid van wetgeving inzake de
positie van de cliënt. Hoe verhoudt zich deze Wet cliëntenrechten zorg tot
de kaderwet EPD, welke afstemming vindt plaats tussen de nieuwe EPD
rechten en de klassieke rechten van de patiënt ten aanzien van vastgelegde
gegevens?
De minister gaf aan verrast te zijn door de omvang van de groep van
400 000 burgers die bezwaar aantekenden tegen opname van hun gegevens
in het EPD. Welke indruk leidt de regering hieruit af voor wat betreft
het vertrouwen van burgers in het EPD: was bij de beleidsvoorbereiding
wel voldoende aandacht besteed aan het opbouwen van een vertrouwensbasis
bij burgers voor de invoering en uitvoering van het EPD? Welke
alternatieven komen beschikbaar voor degenen die weigeren in het EPD te
worden opgenomen? Kan de regering – zo vragen de leden van de PvdAfractie
– garanderen dat voor deze groep het EPD niet praktisch onontkoombaar
wordt voor het verkrijgen van medische zorg?
Kan de regering aangeven of gebruik van het EPD in het buitenland realiseerbaar
is in de huidige opzet? En op welke wijze worden buitenlandse
patiënten zonder burgerservicenummer geregistreerd in Nederland?
Via het BSNZ is het EPD gekoppeld aan het BSN en daarmee aan een
veelheid van overige bestanden. Kan de regering schetsen welke structuur
hierop van toepassing is en met name welke schotten zijn aangebracht
tussen het EPD en overige bestanden van bijvoorbeeld justitie, de belastingdienst,
het UWV en wat dies meer zij. Kortom hoe is de burger beveiligd
tegen onrechtmatig gebruik van zijn EPD gegevens door andere
overheidsinstanties? Wie ziet daarop toe en hoe is de handhaving geregeld?
Op welke wijze zullen de interne beveiliging (welke EPD-deelnemers
mogen welke rollen vervullen?) en de externe beveiliging (wie komt het
EPD in?) op elkaar afgestemd? Is een jaarlijkse, eenmalige hacker test niet
te zeer een incidentele momentopname? Hoe is de continue veiligheidsbewaking
op te zetten en welke rol heeft daarin de betrokken burger als
potentieel de beste bewaker?
Het amendement Omtzigt-Vermeij dat de regiefunctie van de burger
invoert behelst naar de mening van de leden van de PvdA-fractie een
fundamentele toe te juichen koerswijziging. Wat is de visie van de regering
op dit amendement, is zij met de leden van de PvdA-fractie van
mening dat dit een fundamentele omslag teweeg brengt en hoe denkt de
regering dit amendement uit te voeren? Door dit amendement komt extra
nadruk te liggen op bovengenoemde noodzakelijke afstemming met het
wetsontwerp cliëntenrechten. Deelt de regering de mening dat de hoogste
kwaliteit in informatiesystemen wordt bereikt door het beheer van gegevens
zo dicht mogelijk bij de bron, de individuele burger, te organiseren?
Op welke wijze zal de regering deze regiefunctie implementeren?
De tot dusver gekozen aanpak was van boven af en gemotiveerd vanuit
het niet van de grond komen van een proces van onderop door het veld.
Op welke wijze zal de regering hier een koerswijziging in aanbrengen ter
uitvoering van het amendement: op welke wijze zullen (groepen) burgers
en zorgverleners anders worden betrokken in het proces en gepositioneerd
in het systeem? Op welke wijze is de regering voornemens het
benodigde draagvlak in het veld van zorgverleners te creëren? Op welke
wijze zal de privacy van de zorgverlener gewaarborgd zijn in het systeem?
Hoe zal het disciplinaire stelsel inzake toegang tot en gebruik van het EPD
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 8
– zoals nader uit te werken bij algemene maatregel van bestuur met zware
nahang – zich verhouden tot het relevante tuchtrecht en het strafrecht?
Welke voorzieningen treft de regering voor een meer effectieve communicatie
over de EPD ontwikkeling richting burgers en zorgverleners teneinde
benodigd vertrouwen en draagvlak op te bouwen?
Op welke wijze is in de architectuur en het stelsel voorzien in een terugkoppeling
en klachtrecht door de burger, al dan niet via een daartoe ingesteld
meldpunt?
Welk groeipad voorziet de regering bij het vormgeven van de regiefunctie
in het bestaande ontwikkeltraject van het systeem? Hoe is overigens in de
huidige opzet van bovenaf de kwaliteit van de dossiers gewaarborgd: hoe
is de controle opgezet, hoe is traceerbaar wie op welk moment welke
gegevens heeft ingezien, welke regels gelden voor het kopiëren van gegevens
en/of dossiers? Welke extra toezicht en handhaving taken zijn hiervoor
voorzien voor de Inspectie Volksgezondheid, hoe worden die geïmplementeerd
en welke middelen zijn daarvoor beschikbaar?
Wat kan naar de mening van de regering bij deze heroriëntatie de bijdrage
zijn van regionaal opgezette systemen?
Is de regering bekend met systemen als Medlook en wordt op dit moment
vooral gedacht in de richting van portalen aan de buitenkant van het EPD,
of eerder aan een meer structurele revisie van de architectuur? De aortaarchitectuur
documenten geven immers duidelijk aan dat de huidige opzet
van het stelsel bij de toegang voor de burger eindigt in plaats van begint:
hoe is deze opzet aan te sluiten bij de keuze voor regie bij de burger?
Welke zijn naar de mening van de regering de gevolgen van deze principiële
heroriëntatie voor de gekozen identificatie waarborgen: is een Digid+
wel voldoende? Wat is vervolgens de visie op het door alle ict-giganten
als Microsoft en Google omarmde perspectief van OpenID, OpenAuth in
dit verband?
Welke waarborgen voor voldoende concurrentie tussen leveranciers zijn
ingebouwd bij de huidige toelating en toetsing procedures? Hoe zijn de
risico’s ingeschat en gehanteerd tegen het ontstaan van monopolies of
«locked-in» situaties op (cruciale) onderdelen dan wel het geheel van het
EPD? In hoeverre is in dit verband aandacht besteed aan in het rijksbeleid
verankerde open source toepassing? In hoeverre is de huidige technologische
opzet actueel genoeg en niet gebaseerd op verouderde toepassingen?
Kunnen nieuwe technologieën als web 2.0 aanleiding zijn tot
actualisering van de architectuur en daarmee een structurele implementatie
van de burger regie?
Uitgaande van de fundamentele omslag naar het perspectief vanuit de
burger, wat is dan naar de mening van de regering nog de toegevoegde
waarde van een landelijk systeem? In hoeverre is een LSP bij een op
burger regie gebaseerd stelsel nog noodzakelijk? Welke gevolgen heeft dit
voor het functioneren van het BSNZ en het BSN? Bij een burger regie
benadering ook buiten het EPD zal immers ook de afstemming van alle
voor de burger relevante dossiers veranderen.
Kan de regering aangeven hoe het vervolg traject is ingericht tot de daadwerkelijke
invoering van het EPD? Welke fasering inhoudelijk en in de tijd
staat de regering voor ogen bij het zenden van de algemene maatregelen
van bestuur aan Tweede en Eerste Kamer: op welke termijnen zijn welke
onderdelen aan de orde? Welke stappen op de overige uitvoering trajecten
krijgen welke fasering in de tijd opdat de veiligheid daadwerkelijk
gewaarborgd is? Met instemming namen de leden van de PvdA-fractie
kennis van de nadruk in de Tweede Kamer behandeling op het borgen van
veiligheid alvorens tot operationele invoering van het EPD over te gaan en
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 9
met het oog daarop niet vast spijkeren van de fatale datum. Niettemin
blijken ook uit het bovenstaande nog zoveel openstaande kwesties dat
een verzoek aan de regering om een uitvoeringstoets te doen plaats
vinden deze leden ruimschoots gerechtvaardig overkomt.
Daarnaast vergt de inrichting en aansturing van de organisatie bij het
IT-ontwikkeltraject als zodanig de nodige aandacht. Zoals bekend, onder
andere uit rapportages van de Algemene Rekenkamer, hebben IT-projecten
bij de Rijksoverheid een aanzienlijke faalkans (circa 40 %).
Kan de regering aangeven welke de financiële kaders/kostenramingen
zijn, ook in termijnen, van de IT-trajecten bij de EPD ontwikkeling op dit
moment en welke gevolgen in dat opzicht worden voorzien bij de
heroriëntatie ten gevolge van bovengenoemd amendement Vermeij-
Omtzigt? Hoe is effectieve aansturing gewaarborgd bij de vormgeving van
de projectorganisatie, hoe is de verhouding externe versus interne ICT
expertise en hoe is in dat kader de rol van Nictus afgebakend? Ligt de
indirecte lijn tussen de minister en Nictus wel voor de hand gezien de
politiek bestuurlijke gevoeligheid van dit dossier? In de brief van de
minister van BZK aan de Tweede Kamer (26 643, nr. 135, blz. 5) wordt
beschreven hoe 74 grote IT-projecten thans door het ministerie van BZK
worden begeleid. Ondanks dat het EPD thans niet rechtstreeks onder de
minister van VWS valt zijn blijkens genoemde brief van BZK voor dergelijke
situaties wel afspraken mogelijk. Zou het gelet op de aard en inhoud
van het EPD en uit oogpunt van risicobeheersing naar de mening van de
regering niet wenselijk zijn dit dossier de status te geven van de grote
IT-projecten met ondersteuning door BZK?
De leden van de PvdA-fractie zien de antwoorden van de regering met
belangstelling tegemoet.
SP-fractie
Het wetsvoorstel voegt aan de Wet gebruik servicenummer in de zorg de
randvoorwaarden toe voor een veilige en zorgvuldige invoering van een
Landelijk EPD. Door het landelijk EPD zijn bepaalde medische gegevens
van een patiënt altijd beschikbaar en hoeven de gegevens maar één keer
ingevoerd te worden en kunnen ziekenhuizen, huisartsen en andere zorgverleners
de actuele gegevens van een patiënt vanuit het hele land
opvragen en inzien. Hiermee wil het kabinet de kwaliteit en de doelmatigheid
van de zorg verbeteren.
Met dit wetsvoorstel worden zorgaanbieders verplicht zich aan te sluiten
bij het LSP. Het LSP beheert de landelijke verwijsindex voor alle elektronische
gegevensuitwisseling voor het EPD. Deze index bevat een overzicht
van alle zorgaanbieders die een behandelrelatie met een patiënt hebben.
Hierdoor kunnen de medische gegevens door de ene zorgaanbieder
worden opgevraagd bij de andere. Het EPD bevat zelf geen medische
gegevens, maar alleen een reeks verwijzingen naar de digitale dossiers
waarin deze gegevens staan. De patiënt krijgt zelf ook inzage in zijn gegevens.
Het wetsvoorstel is een soort kaderwet. De specifieke voorwaarden
worden uitgewerkt in lagere regelgeving.
De leden van de SP-fractie in de Tweede Kamer hebben tegen het wetsvoorstel
gestemd omdat zij van mening waren dat er op dat moment nog
veel te veel onduidelijkheden en twijfels waren ten aanzien van de inhoud
en betekenis van het wetsvoorstel. Onduidelijkheden als het om de implementatie
gaat, de verdeling van verantwoordelijkheden, de inhoud en
reikwijdte van de lagere regelgeving. Twijfels over het nut van een landelijk
EPD terwijl er regionaal al veel is ontwikkeld, twijfels over de privacy
en de positie van de patiënt en vooral twijfels over het draagvlak bij én
burgers én zorgaanbieders.
De discussie die binnen en buiten het parlement ook na de aanvaarding
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 10
van het wetsvoorstel is doorgegaan heeft de leden van de SP-fractie
gesterkt in de mening met een onvoldragen, onvoldoende doordacht
wetsvoorstel te doen te hebben. Zij hopen dat door het stellen van vragen
over het wetsvoorstel de onzekerheid over de juistheid van het wetsvoorstel
zal worden weggenomen en gaan daarbij uit van de stelregel: Beter
ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
1. De minister betoogt ter onderbouwing om een landelijk patiënten
dossier in te voeren dat hierdoor de jaarlijkse 19 000 vermijdbare
ziekenhuisopnames en 1200 vermijdbare sterfgevallen fors zullen
verminderen. De cijfers, die worden genoemd haalt de minister heel
vaak aan en komen uit het HARM-onderzoek (Hospital Admissions
Related to Medicatio; 2006). Het onderzoek concludeert «Therapieontrouw,
verminderde cognitie, verminderde nierfunctie, meerdere
aandoeningen in de medische voorgeschiedenis en polyfarmacie zijn
geïdentificeerd als de belangrijkste onafhankelijke risicofactoren (voor
de genoemde vermijdbare ziekenhuisopnames en sterfgevallen)». Wat
doet de regering denken dat een landelijk EPD deze risicofactoren kan
beïnvloeden? Hoe kan een EPD de therapietrouw verbeteren en de
cognitie doen beïnvloeden? De leden van de SP-fractie vinden dat de
regering op onverantwoorde en onwetenschappelijke wijze cijfers
hanteert uit het HARM onderzoek en daarmee het draagvlak onder de
invoering van het EPD ondermijnt. Graag ontvangen zij daarop een
reactie.
2. Een ander argument om een landelijk EPD in te voeren is dat het
belangrijk is om medische gegevens direct beschikbaar te hebben als
men buiten zijn regio spoedeisende hulp nodig heeft. Is er onderzoek
gedaan hoe vaak dat voorkomt en dat gezien in relatie tot hoe vaak er
binnen de regio hulp wordt gezocht? De leden van de SP-fractie
vermoeden dat het relatief weinig voorkomt dat er behoefte is aan
medische gegevens buiten de regio en dat het daarom veel belangrijker
is alle inspanningen te richten op adequate dossiervorming en
uitwisseling in de regio. Waarom is daar niet voor gekozen?
3. De actie van de minister om in het najaar van 2008 alle huishoudens in
Nederland op de hoogte te stellen van het EPD, wat het inhoudt, wat
de voordelen zijn en hoe men bezwaar kan maken heeft heel wat
losgemaakt.
• Hoe groot is het aantal bezwaarmakers tot nu toe? Hoe vordert de
verwerking ervan? Wie is hiervoor verantwoordelijk?
• Is het voor al deze mensen duidelijk waartegen ze bezwaar hebben
gemaakt? Het wetsvoorstel was nog niet uitbehandeld. Betekent dat
dat na de finale behandeling in de Eerste Kamer alle inwoners van
ons land nogmaals worden benaderd? Er zullen toch ook mensen
zijn die daarop wachten zodat ze gemotiveerd en doordacht
bezwaar kunnen maken. Ook zijn er mogelijk mensen die bezwaar
maakten en die bij nader inzien en gehoord alle discussies hun
bezwaar ongedaan willen maken. Hoe gaat de regering hiermee
om?
• Waar zijn alle bezwaarmakers geregistreerd en wie ziet toe op de
correcte registratie en op de bewaking van hun privacy?
• Is het mogelijk dat een zorgverzekeraar inzage krijgt in dit databestand
en mogelijk zijn verzekerden zal benaderen met de vraag
waarom men bezwaar heeft aangetekend? Kan een zorgverzekeraar
zijn verzekerden verplichten toch gegevensuitwisseling via het EPD
toe te staan?
• Hoe komt iemand te weten dat hij onterecht in het bestand staat?
Of is dat onmogelijk?
• Hoe moet iemand handelen die van mening is dat hij onterecht in
het bezwaardenbestand staat? En iemand die vindt dat hij er onterecht
niet in is opgenomen?
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 11
• Geldt de opname in het bezwaarregister ook voor opname in en
communicatie via regionale netwerken? Het blijkt in ieder geval dat
het op Huisartsenposten die al werken met een koppeling via het
LSP (zoals in Nijmegen) niet meer mogelijk is een zogenaamd
waarneemretourbericht te sturen als het een burger betreft die
bezwaar maakte tegen het landelijk EPD.
4. Regionaal zijn er al vele jaren verschillende uitwisselingsnetwerken
ontwikkeld, waarin bijvoorbeeld verwijs-, ontslag- en specialistenbrieven
en laboratoriumuitslagen worden uitgewisseld Hierbij werd tot
nu toe vaak uitgegaan van impliciete toestemming door de cliënt/
patiënt. Hoe veilig zijn deze netwerken wat betreft inloggen en inzage?
Gelden hiervoor ook identificatie, authenticatie en autorisatie procedures?
Ziet de IGZ ook nu reeds toe op naleving van een NEN-norm?
Geldt hier NEN-7510? Brengt het voorliggende wetsvoorstel daar
verandering in?
5. Het CBP is een onderzoek gestart naar de veiligheid van gegevensuitwisseling
op regionaal niveau omdat die zoals de voorzitter van het
CBP vermeldde mogelijk niet op orde zou zijn. Er zijn hiertoe gegevens
verzameld op enige Huisartsenposten. Zijn de resultaten van dit onderzoek
al bekend? Kan de Eerste Kamer voor de behandeling van het
wetsvoorstel beschikken over de resultaten en adviezen?
6. Het voorliggend wetsvoorstel is een kaderwet. De specifieke voorwaarden
worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Hoe wordt dat
verder vormgegeven? Hoeveel algemene maatregelen van bestuur en
ministeriële regelingen staan er nog op stapel? Zijn de teksten al
bekend inclusief de adviezen van de Raad van State en het CBP? Het
klopt toch dat beide instanties daartoe zullen worden uitgenodigd?
Deze leden zouden graag beschikken over zowel (ontwerp) teksten als
commentaren.
7. Wil de regering nog eens uiteenzetten hoe de verantwoordelijkheden
liggen en hoe het toezicht is geregeld?
• Wie is verantwoordelijk voor en wie ziet toe op de correcte invoering
van het EPD?
• Wie is verantwoordelijk en ziet toe op het functioneren van het
LSP? Aansluiting op het LSP is toch niet louter een technische
handeling? Wie ziet erop toe dat uitsluitend beroepsbeoefenaren
indexgegevens en patiëntgegevens bijhouden en opvragen? Wie is
aansprakelijk als de techniek van het LSP niet werkt?
• Wie is verantwoordelijk en wie ziet toe op het functioneren van de
UZI-pas, zowel wat de techniek betreft als wat het gebruik betreft?
• Wie is verantwoordelijk en wie ziet erop toe dat zorgaanbieders zich
daadwerkelijk aansluiten? Wie treedt op als zorgaanbieders dit
weigeren? Wie heeft dan welke instrumenten/machtsmiddelen
voorhanden? Is hierin verschil naar gelang van financiering van de
zorgaanbieder? ( Zelfstandig ondernemer, dienstverband, lid van
een maatschap etcetera).
• Welke medische gegevens dienen altijd beschikbaar te zijn? Wie
bepaalt dat? Welke rol hebben de beroepsbeoefenaren daarbij? Wie
controleert casu quo bepaalt of de verantwoordelijke zorgaanbieder
de juiste gegevens heeft geleverd? Is een zorgaanbieder ook strafbaar
als hij te goeder trouw gegevens heeft overgenomen van
vorige dossierhouders? Zeker in grote steden waarin de patiëntenmobiliteit
soms groot is, is het niet altijd mogelijk om alle gegevens
over bijvoorbeeld allergieën op juistheid te controleren.
• Hoe wordt erop toegezien dat patiënten geen essentiële gegevens
uit het eigen dossier blokkeren? Dokters en patiënten kunnen
verschillend oordelen over de definitie van essentieel. Wie is in dit
geval verantwoordelijk?
• Wie ziet erop toe dat een patiënt alleen zijn eigen dossier inziet en
eventueel daaruit gegevens blokkeert? Hoe is de identificatie,
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 12
authenticatie en autorisatie in dit proces geregeld? Valt het überhaupt
te regelen?
• Heeft de regering de problemen al opgelost die op 8 april 2008
tijdens de plenaire behandeling van wetsvoorstel 30 380 over het
gebruik BSN-zorg werden gesignaleerd ten aanzien van kinderen?
Het ministerie beschikt (aldus toen de minister) niet over gegevens
over het niet voldoen aan de identificatieplicht in ziekenhuizen met
betrekking tot kinderen onder veertien jaar. Beschikt het ministerie
daar nu wel over?
• Beschikken inmiddels alle in Nederland woonachtige Antillianen en
Arubanen over een BSN? Wat zijn de uitkomsten van het overleg
van VWS met BZK hieromtrent?
• Wat zijn de uitkomsten van het overleg tussen de ministers van
VWS en Justitie, waarin bekeken zou worden in hoeverre de
identificatieplicht die bij het BSN speelt interfereert met bepalingen
uit het Wetboek van Strafrecht?(toezegging 8 april 2008).
• Welke taken heeft NICTIZ? Hoeveel fte heeft ze daarvoor te
besteden? Hoe veel geld gaat er in om? Wie is verantwoordelijk en
ziet toe op het functioneren van deze instantie?
• Wie beheert en is verantwoordelijk voor het klantenloket? Wie ziet
toe op het adequaat functioneren ervan? Waar kan men terecht met
klachten over dit loket?
• Welke taken heeft het CPB met betrekking tot de uitrol en het uiteindelijk
functioneren van het EPD? Is het college in staat om adequaat
op het hele proces toe te zien? Heeft het genoeg menskracht en
kennis?
• Welke taken heeft de IGZ en welke krijgt hij er mogelijk bij als het
gaat om de implementatie en het functioneren van het EPD? Kijkt
de IGZ met name naar de rol van zorgaanbieders hierbij of kijkt hij
ook toe op hetgeen is vastgelegd in het EPD? Mag de IGZ ook
zonder toestemming van de patiënt EPD’s inzien? Krijgt de IGZ
daartoe een eigen UZI-pas?
• Hebben IGZ en CPB al onderling afspraken gemaakt als het gaat om
de uitoefening van beider toezichthoudende taken in het kader van
het EPD? Zijn deze in te zien?
• Heeft het IGZ al een handhavingskader in de maak met betrekking
tot het toezicht op het tot stand komen en gebruik van het EPD met
onder meer een overzicht van bijbehorende eventueel op te leggen
bestuurlijke boetes?
• Wie is verantwoordelijk voor het correct uitvoeren van het jaarlijkse
onderzoek naar de veiligheid van het EPD? Wie doet het en wie ziet
erop toe?
8. Onlangs werd bekend dat de UZI-pas is gekraakt. Voor techneuten was
dit geen verrassing, zij wezen erop dat iedereen hem kan kraken die
een beetje met Google overweg kan. (NRC 2 april 2009, citaat van
beveiligingsexpert Erik Westhovens) Was het voor de regering wel een
verrassing? Wat zijn hiervan de consequenties met betrekking tot de
voortgang van het proces? Wat betekent dat voor de gebruikers? De
leden van de SP-fractie hebben begrepen dat hierdoor het LSP tot juni
dicht zal zijn, is dat correct en wat is daarvan het gevolg? Wat zijn de
kosten van deze tegenvaller? Deze leden betwijfelen overigens of er
ooit een kraakvrije pas is te organiseren. Graag een reactie van de
regering.
9. Hoeveel UZI-passen worden er uiteindelijk uitgereikt? Hoeveel passen
zijn er al uitgereikt en hoeveel waren daarvan in gebruik? De leden van
de SP-fractie gaan ervan uit dat het tot nu toe alleen huisartsen en
apothekers betrof?
10. De minister heeft voor huisartsenpraktijken die aansluiten op het LSP
3000 euro in het vooruitzicht gesteld en 1 euro per aangesloten patiënt,
huisartsendienstenstructuren ontvangen 0.42 euro per inwoner in het
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 13
werkgebied, voor apotheken is 5000 euro per aangesloten vestiging
beschikbaar. Voor 2008 was daarvoor 15 miljoen euro beschikbaar,
voor 2009 gaat het om 30 miljoen. Hoeveel geld is al uitgegeven voor
dit doel, hoeveel praktijken, HAP’s en apotheken zijn al aangesloten?
11. De invoering van een landelijk EPD is een complexe operatie, zoals ook
blijkt uit ervaringen in andere landen. Nog in geen enkel land draait
een landelijk functionerend EPD. Overal wordt aangelopen tegen
barrières op het gebied van privacy en toegankelijkheid, implementatietechnieken,
invoeringstempo, geld en techniek. Wat heeft de regering
geleerd van de ervaringen van andere landen en welke ervaringen
hebben gemaakt dat in Nederland de keus is gevallen op een EPD als
neergelegd in het voorliggend wetsvoorstel?
12. Op welke manieren en met welke groeperingen wordt overleg gevoerd
om het draagvlak te vergroten? Zonder de onvoorwaardelijke medewerking
van de zorgaanbieders zal het niet gaan is de mening van de
fractie van de leden van de SP-fractie. Graag ontvangen zij daarop een
reactie.
SGP-fractie (mede namens de fractie van de ChristenUnie)
Het blijkt dat er nog regelmatig fouten worden gemaakt, met vaak ernstige
gevolgen, door onjuiste of gebrekkige uitwisseling van medische gegevens.
Het EPD, mits goed benut, helpt om de relevante gegevens, op het
juiste moment, bij de juiste zorgverlener beschikbaar te hebben.
Dit neemt niet weg, dat de leden van de fracties van SGP en Christen-
Unie ook de nodige vragen hebben. Zo zijn er nog steeds vragen over de
veiligheid en betrouwbaarheid van het EPD. De leden van deze fracties
verzoeken de regering hierop nog eens in te gaan.
Zij vragen of de mogelijke risico’s met de invoering van het EPD, zoals de
aansprakelijkheid voldoende in kaart zijn gebracht. Vervolgens vragen de
leden van deze fracties of met de komst van het EPD de WGBO geen
aanpassing behoeft, zoals de autorisatie.
Een landelijk EPD ontwikkelen is een bijzonder complexe zaak. Analyse
van grote ict-projecten laat zien dat het vaak ontbreekt aan specifieke
deskundigheid en goed doordachte ontwerpen. Deze leden bekruipt het
gevoel dat het bestek nog niet gereed is voor het EPD. Anders gezegd er
zijn nog onzekerheden en knelpunten. Graag horen de leden van deze
fracties van de regering hoe zij de realiseerbaarheid van de wet ziet.
Ten slotte vernemen de leden van de fracties van SGP en ChristenUnie
graag van de regering hoe zij denkt om te gaan met de groeiende weerstand.
D66-fractie
De leden van de fractie van D66 zijn op voorhand geen tegenstander van
de invoering van een landelijk EPD, maar zijn bezorgd over de beveiliging
en toegang van het EPD en de wijze van instemming van de patiënt ten
aanzien van het gebruik van het EPD.
De regering stelt in de memorie van toelichting dat met de invoering van
het EPD de kwaliteit van gezondheidszorg vanwege de verbeterde
informatievoorziening wordt verhoogd. Naar het oordeel van onder meer
de beroepsvereniging De Vrije Huisarts (Vrij Nederland, 22 november
2008, p. 38) is dit geen automatisme. Indien er een EPD beschikbaar is, zal
dit «een wirwar aan informatie» opleveren. Het nadeel daarvan is een te
grote mate aan informatie die gevoelig is voor uiteenlopende interpretaties.
Bovendien is het de vraag of artsen blind willen varen op het oordeel
van collegae. Hoe beoordeelt de regering deze problematiek?
In het Tijdschrift voor Internetrecht (nr 5, november 2008, p. 119) stelt
Lommers: «De fout die vaak gemaakt wordt, is te denken dat
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 14
ICT-voorzieningen bestaande «bad practices» kunnen verbeteren. Maar
wanneer een organisatie van goede «analoge communicatie» ontbreekt,
zal een ICT-voorziening, alleen (zonder organisatorische veranderingen)
geen heilzame werking hebben. Ook het niet-gebruiken of interpreteren
van aanwezige informatie is debet aan veel fouten.» Kan de regering op
dit punt verduidelijken en specificeren op welke wijze de invoering van het
EPD tot een verbetering van de kwaliteit van de zorg leidt? Voorts
vernemen de leden van de D66-fractie graag op welke wijze de regering
een «information overload» en interpretatieproblemen denkt te voorkomen.
De leden van de fractie van D66 maken zich zorgen over de toegang tot
het EPD. In een brief van de minister van VWS en de staatssecretarissen
van Defensie en Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer van
31 maart 2009 wordt melding gemaakt van een kwetsbaarheid in het
rekenmechanisme van de chip op de UZI-pas (31 466, nr. 51). In deze brief
wordt gesproken over experts die in een laboratoriumsituatie in staat zijn
gebleken om de private sleutel van een chip te achterhalen. Daags na het
verschijnen van deze brief, blijken deze experts de UZI-pas te kunnen
kraken met behulp van drie computers en een ontwikkelaarskit van het
bureau voor het EPD (http://webwereld.nl/nieuws/56673/epd-pas-gekraaktom-ongelijk-Klink-te-bewijzen.htlm#).
Deze leden vinden het zorgelijk dat zo kort voor de geplande inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel een integraal onderdeel van het systeem
onveilig blijkt te zijn, en vragen de regering welke consequenties dit
gegeven heeft voor de invoering en het gebruik van de UZI-pas.
Het Burger Service Nummer (BSN) zal worden gebruikt voor de juiste
koppeling van gegevens aan personen. Het nadeel hiervan is dat het
nummer potentieel gevaarlijke mogelijkheden biedt om allerlei gegevens
over een persoon te koppelen. Door de «unieke sleutel», die het BSN
levert, kunnen er veelomvattende profielen van personen worden opgesteld.
Deze sleutel maakt het mogelijk om gegevens in allerlei databanken
met elkaar te combineren. De leden van de fractie van D66 vernemen
graag van de regering of de informatie, die gekoppeld is aan het BSN,
gecompartimenteerd wordt.
Wat betreft de uitwisseling van gegevens zelf wordt de werkelijke reikwijdte
en invulling van het EPD bepaald bij algemene maatregel van
bestuur. Op dit moment is nog niet bekend welke gegevens er in het EPD
opgenomen zullen worden. De leden van de D66-fractie constateren dat
wanneer een burger niet binnen gegeven periode bezwaar heeft gemaakt
tegen een persoonlijk EPD er sprake is van «informed consent». Deze
burgers stemmen derhalve in zonder te weten welke informatie in het EPD
opgenomen wordt. Waarom heeft de regering de mogelijkheid om
bezwaar te maken geboden op een moment dat nog niet bekend is welke
persoonlijke gegevens in het EPD opgenomen worden? De leden van de
fractie van D66 vragen of er dan nog wel sprake is van informed consent.
Voorts wordt ook bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld wie
toegang heeft tot welke gegevens. Kan de regering deze leden verzekeren
dat de toegang tot het EPD slechts voorbehouden blijft aan zorgverleners?
Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 466, B 15
De leden van commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd
en Gezin zien de beantwoording met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport/Jeugd en Gezin,
Slagter-Roukema
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport/Jeugd en Gezin,
Warmolt de Boer



Voeg een nieuwe reactie toe



Reacties

profiel Anoniem
Geplaatst op vrijdag 22 mei 2009
profielnaam
Dat onze Stichting de Vrije Huisarts tot Beroepsvereniging wordt gebombardeerd.... ach een kniesoor die daar over valt. Maar waar blijft de stem van de 'echte' beroepsvereniging in het maatschappelijk debat over het L-EPD? LHV als uitvoeringsorganisatie van VWS of als een belangenorganisatie die met kracht onze professionele waarden verdedigt? Wil de echte belangenbehartiger nu opstaan?

Uit het verslag van de Eerste Kamer:
"De regering stelt in de memorie van toelichting dat met de invoering van het EPD de kwaliteit van gezondheidszorg vanwege de verbeterde informatievoorziening wordt verhoogd. Naar het oordeel van onder meer
de beroepsvereniging De Vrije Huisarts (Vrij Nederland, 22 november 2008, p. 38)is dit geen automatisme...."

hansn
Geplaatst op vrijdag 22 mei 2009
profielnaam
:(
Geplaatst op donderdag 21 mei 2009
profielnaam
Titel spreekt voor zichzelf
profiel Anoniem
Geplaatst op donderdag 21 mei 2009
profielnaam
Het lijkt erop dat de Eerste Kamer wel heeft geluisterd naar de mensen "in het veld", dit in tegenstelling tot de monomane heer Klink.
Er is nog hoop.
Geplaatst op donderdag 21 mei 2009
profielnaam
Dit leest als een spannend boek. Waarlijk goede vragen uit de 1ste kamer
Word nu lid van HuisartsVandaag en profiteer van extra voordelen!

Altijd toegang tot het laatste nieuws
Reageer en communiceer met andere huisartsen
Dag- en dienstwaarnemingen, vacante praktijken en vacatures
Links naar gratis geaccrediteerde nascholingen
Dagelijks uitgebreide nieuwsbrieven

[Klik hier om u aan te melden]

Advertentie



Categorieën

Laatste reacties

Publieke Poll

Met welke stelling ben je het eens, mijn opinie over de NHG accreditatie is:
Moet worden afgeschaft, te veel werk te weinig opbrengst
Moet in sterk afgeslankte vorm gehandhaafd blijven
Moet in de huidige vorm elk jaar plaatsvinden
Moet in de huidige vorm minder vaak plaatsvinden
Geplaatst: 13-03-2017 Bekijk alle

HuisartsVandaag +Plus

gevraagd
gevraagd
gevraagd
gevraagd

Word lid en kom in contact met collega's
Diensturen
Diensturen
Kantooruren
Kantooruren
Diensturen
Diensturen
Diensturen
Diensturen
Kantooruren
Diensturen
Diensturen
Diensturen

Word lid en kom in contact met collega's